struiken en vogelkers hadden zich uitgezaaid tussen de graven en schoten ongehinderd op, omdat de meeste nabestaanden liever niet snoeiden aan wat wilde groeien op een graf.
Hij bedacht, dat hij, nu hij toch eenmaal hier was, ook best eens naar het graf van zijn moeder zou kunnen zoeken. Hij zou er de opzichter naar vragen.
Toen stond hij stil, de begrafenisstoet was aangekomen bij het open graf. Het was een gat in lichtgeel zand, daarnaast lag een geel bergje en daarnaast een hele rij van reeds dichtgeworpen kuilen, ook stond er een enkele nieuwe grafsteen waarop de letters nog glimmend zwart afstaken. Het was duidelijk dat hier iedere dag Amsterdamse joden begraven werden en ook heel begrijpelijk dat oom Eli nu daarbij zou worden neergelegd.
De jonge rabbijn prevelde met zijn volle lippen de voorgeschreven gebeden. Ook dit was vanzelfsprekend, men kon horen dat die rabbijn iedere dag uit naam van overblijvenden de gebeden zei bij open graven. Telkens wachtte hij even, dan spraken de mannen die om het graf stonden in koor een antwoord bij het liturgisch gebed. Hun stemmen klonken pathetisch noch bedroefd, ze spraken, net als in sjoel, consciëntieus de gebeden die al honderden jaren bij dezelfde gelegenheden waren gesproken. De meesten waren oud, ze keken niet in hun gebedenboek en wisten toch de woorden. Henri stond achter hun ruggen te luisteren.
Toen vielen de eerste schoppen aarde op de kist, dat klonk nog hol, later vielen er meer. Ook Henri moest drie maal een spadevol zand in het graf laten vallen, nu klonk het alweer gewoon als zand op zand. Oom Eli was begraven.
Het graf lag dicht. Maar verderop lag nog een kuil open voor de volgende begrafenis, men zag de zwarte stoet al naderen van het reinigingshuis, de lange kist schommelde tussen de dragers.
Henri verwonderde zich niet eens, dat hij geen verdriet meer voelde. De bolle wind streek over zijn handen en een leeuwerik juichte boven zijn hoofd. Hij liep achter de mannen aan naar het gebouw waar men koffie ging drinken.
Daar dronk hij de koffie en at brood met kaas, hij zat aan een van de lange tafels tussen de huisknecht Mousje en mijnheer Matje. Iedereen at met smaak, zelfs de zoons van oom Eli hadden blijkbaar honger. Dat was heel gewoon, het was nu tijd om brood te eten, ze waren om tien uur al uit Amsterdam gereden en moesten ook nog terug. Toen de maaltijd was afgelopen, dankte de jonge rabbijn hardop namens allen met het lange ‘dankgebed na de maaltijd’. Het gezonde gezicht van de rabbijn stond tevreden en zijn
197