uitgehouwen symbool van vat en schenkkan, de heilige voorwerpen, waarmee indertijd de Levieten bij de tempeldienst de handen van de hogepriesters hadden gereinigd.
‘En daar ligt een Kouhein.’ Op de steen waren de gespreide vingers van de zegenende hogepriester gebeiteld.
‘Waarom moet dat er nu nog altijd ópstaan?’ vroeg Henri, ‘tegenwoordig zijn de joden toch allemaal gelijk.’
‘Nou ja,’ zei de gazzan, ‘omdat we in de verbanning leven. Maar als Mosjiach komt en ons mee terug neemt naar Jeroesjolojiem, dan moet iedereen weten waar zijn plaats is.’
Henri hield voorzichtig zijn mond dicht. Hij wist wel dat oude vrome mensen zoals gazzan Polak nog altijd geloofden aan de Messias die komen moest. Hij had ook al gehoord van de zionisten, een kleine groep onder de joodse jongeren, die zomaar, zonder Messias, naar Palestina terug wilden gaan, iets dat de vromen ergerlijke heiligschennis vonden. Hij durfde daar dus niet over spreken en helemaal niet over zijn eigen idee, - dat de joden nu allemaal Hollands spraken en schreven en al zolang in Holland hadden geleefd, dat de meesten wel niet meer naar een Oosters land terug zouden willen. Zelf hield hij zoveel van de Amsterdamse mensen en de huizen en de grachten, van alles wat er was in Amsterdam, dat hij stellig ook niet mee zou gaan, al kwam de Messias inderdaad nog eens om de joden naar Jeruzalem terug te brengen.
Hij liep met kleine begeleidende pasjes naast de gazzan tot aan het reinigingshuis. Daar schoof hij stilletjes van hem weg, tussen andere, vreemdere mensen, - hij wilde maar liever alleen zijn met zichzelf terwijl oom Eli werd begraven.
De kist stond onder de zwarte doek op de schragen. Een hoek van het kleed was teruggeslagen, men kon de geschaafde withouten kist zien en de wollen gebedsdraden van het talith, die onder het deksel uithingen. Het was een prettige gedachte dat oom Eli niet zomaar in een kaal doodshemd lag, maar dat men hem had gewikkeld in het talith waarmee hij zijn levenlang tevreden in sjoel had gestaan. Een jonge rabbijn met een blozend vriendelijk gezicht, zei in het Hollands een paar lovende woorden over oom Eli’s godsvrucht, toen ging hij direct over in het Hebreeuws, hij sprak het zo vlug dat Henri niets kon volgen. De kist werd weer opgenomen en naar het graf gedragen. De jongen volgde, een beetje opzij, om alleen te blijven.
Boven zijn hoofd stond een helderblauwe hemel waartegen jubelende leeuweriken hingen. Tussen de graven was het gras hoog en groen, nergens stonden gekweekte bloemen maar overal drongen margrieten en paardebloemen omhoog. Ook wildgroeiende wilge-
196