Henri zat in één rijtuig met mijnheer Wijnberg en mijnheer Snabel en gazzan Polak. Die zaten zo rechtop als ze konden, ieder in zijn eigen hoek, en praatten zachtjes over oom Eli. Over zijn hebbelijk-heidjes en over zijn laatste uren, die precies waren geweest zoals ze moesten zijn. Ze schenen niet verdrietig dat ze hem missen moesten en mijnheer Wijnberg rekende uit wie nu in aanmerking kwam om de vrijgekomen plaats in de Stichting in te nemen. Er was Del-laville, de gewezen koster en ook een mijnheer Soep, die zich allebei wilden inkopen.
‘Soep is te jong,’ besliste mijnheer Snabel, ‘die is pas negenenzestig.’
‘Was oom Eli niet de oudste?’ vroeg Henri.
‘Ja,’ zei de gazzan, ‘je oom was immers vijfentachtig! Een gezegende leeftijd, het was nu wel zijn tijd. Dat is toch maar het mooiste wat men hebben kan, - rustig leven en rustig sterven.’
‘En een fatsoenlijke nagedachtenis!’ zei mijnheer Snabel.
‘Een goede naam is meer dan welriekende olie,’ citeerde gazzan Polak. De drie heertjes knikten langdurig en overwegend.
Het rijtuig schommelde langs de Muiderstraatweg. Henri voelde zich heerlijk geborgen in de oude bekende sfeer, waarin alle dingen vanzelf werden genomen zoals ze kwamen. Hij zat maar stil te luisteren tot het rijtuig stilhield voor de begraafplaats in Muiderberg. Hij was er nog nooit geweest en begon nieuwsgierig om zich heen te zien. Bij het hek stond een hele groep ellendig armoedige joodse bedelaars, de begrafenisgangers hielden hun giften tevoren al klaar, want het is loffelijk om aalmoezen te geven bij een begrafenis, -er staat geschreven: ‘weldadigheid redt van de dood’. Maar de bedelaars schenen zich ook nuttig en nodig te voelen, - als zij er niet waren, kon men zich geen verdienste door aalmoezen verwerven. Zij deden niet onderdanig en als een gift te karig uitviel, werden ze sarcastisch. Henri duwde zich gauw door hen heen, hij had haast geen geld bij zich en ook wist hij niet hoe hij het moest geven.
Achter het hek begonnen dadelijk de rijen staande grafzerken, de oudste, vooraan, hingen scheefgezakt tegen het gras. In de harde steen waren gaten gebeten door vocht en door bruingele korstmossen.
‘Die zerken zijn al driehonderd jaar oud,’ wees gazzan Polak.
‘Je oom komt te liggen op het nieuwe gedeelte.’
Ze liepen samen op. Gazzan Polak steunde op Henri’s schouder en doceerde onderwijl allerlei over de begraafplaats, hij was er in zijn actieve tijd dan ook iedere week gekomen.
‘Daar ligt een Leiwie!’ wees hij en toonde Henri op de steen het
195