dat zovaak op zijn gezicht was gekomen als hij in sjoel zat te luisteren. Het lachje was nu nog het enige dat leefde aan oom Eli, over zijn ogen was de wolk lager gegleden, maar zijn mond deed nog mee. Zijn dunne, strakke lippen bewogen, men kon zien dat hij de woorden nog proefde op die lippen. Er was haast geen adem meer in oom Eli, alleen zo nu en dan schokte iets in zijn borst en zijn keel, maar zijn lippen gaven niet op, - men zag dat hij het gebed nog hoorde.
Toen hielden de lippen stil. De gazzan Polak en de huisknecht Mousje en al de mannenstemmen zeiden plechtig:
‘Hoor Israël, de Eeuwige onze God is een Eeuwig Enig Wezen. Sjemang Jisroeil Adounoi Elouheinoe Adounoi Echod.’
‘Echod,’ herhaalden de lippen van oom Eli in een allerlaatste ademtocht. Het was het woord waarop hij had gewacht, - zijn kaken zakten vaneen.
Henri drukte zijn nat gezicht tegen het gebedenboekje. Hij snikte niet om oom Eli maar om zichzelf. Het boek echter lag vriendelijk troostend tegen zijn voorhoofd en toen hij het moest sluiten en teruggeven aan de huisknecht Mousje, voelde hij een diep gemis.
Twee dagen later bracht men oom Eli weg naar Muiderberg. Het was op een zondagmorgen.
Henri had Mietje dadelijk geschreven dat hij zondag niet met haar uit kon gaan. Het was wel vreemd dat Mietje opeens zoveel minder belangrijk was geworden, maar hij kon duidelijk voelen, dat hij maar weinig spijt had nu hij haar moest afschrijven. Mietje, met haar rond jong gezichtje zou altijd wel blijven. Maar oom Eli was weg, voorgoed.
De volgende avond kwam er al een briefje van haar terug, een ongefrankeerd briefje, dat ze blijkbaar zelf in de bus had gestopt. Ze schreef dat ze weer bij haar opoe woonde, ze was uit haar dienst weggelopen na een ruzie met haar mevrouw, die gezegd had dat ze een slet was die iedere avond met een andere jodenjongen liep... Het briefje had de stijl van een stuiversroman en Henri had even moeten lachen omdat Mietje zo heel anders schreef dan ze sprak, men kon zien dat het heel moeilijk voor haar was om goede schrijf-woorden te bedenken. Hij nam zich voor om haar maar even op te gaan zoeken aan de overkant, dan kon hij alles gewoon vernemen. Maar oom Eli ging voor. Al deze dagen waren voor oom Eli.
De begrafenisstoet ging ’s morgens om tien uur van de Stichting. Al de oude heertjes waren mee, dik ingepakt in sjaals en doeken, het was wel augustus maar Muiderberg lag aan de zee, het zou er kunnen tochten.
194