‘Je moet niet bang zijn,’ zei de huisknecht Mousje, ‘hij gaat heel mooi weg.’ Henri knikte dankbaar en toen ontsloot Mousje de kamerdeur.
Meteen hoorde Henri de prevelende stemmen der aanwezige mannen. Allen waren daar, al de oude vriendjes van oom Eli uit de Stichting, allen deden ze hem uitgeleide. Ook de zoons uit Londen schenen overgekomen, maar ze waren niet het dichtst bij het bed. Bij het hoofdeinde stonden meneer Matje met gazzan Polak en de oude Snabel en Wijnstok in een kleine beschermende kring, en telkens klonken daaruit de bekende woorden der psalmen op: ‘Dank de Eeuwige want Hij is goed, Zijne goedertierenheid duurt in Eeuwigheid.’ - ‘Een Psalm van David: Verneem mijn gebed, o Eeuwige.’
Henri durfde nu wel zijn ogen laten zoeken naar oom Eli. In het grote mahoniebed binnen de gesteven bedgordijnen, lag oom Eli’s klein uitgeteerd gezicht geelwit tegen een stapel witte kussens; het wit van zijn vlokkig oudemannenhaar stak haast niet meer af. Maar oom Eli’s bruine oogjes waren nog levend in het weggeschrompeld gezichtje, ze keken nog. Henri zag dat ze hem herkenden, zijn keel kneep dicht. Op zijn tenen liep hij naar het bed, maar wist niets te zeggen dan: ‘dag oom Eli.’
Hij keek en keek diep in de vriendelijke ogen, de vriendelijkste die hem ooit hadden aangezien. Hij keek totdat er een vreemde wolk kwam aandrijven over die ogen, - tot er een scherm kwam tussen hemzelf en dat andere zelf. En toen zag hij niets meer omdat zijn ogen blind werden door de hete tranen.
De huisknecht Mousje schoof hem opzij, hij gaf Henri een open gebedenboek in zijn hand en wees de plaats aan. Meteen hief hijzelf met zijn rustige dieptevreden stem het gebed voor de stervenden aan.
‘Ga heen in het geleide des Eeuwigen! Ga, de Eeuwige zij met u. De Eeuwige, zijn God is met hem, hij zal opwaarts gaan. De Eeuwige zegene en behoede u, de Eeuwige verhef Zijn aangezicht over u en zij u genadig, de Eeuwige wende u Zijn aangezicht toe en geve u vrede. Aan uw rechterzijde is Michaël, aan uw linkerzijde Gabriel, voor u Uriel, achter u Raphael, boven uw hoofd Gods Heerlijkheid. Wees dapper en moedig, vrees niet, noch wees versaagd...’
Henri kon niet meelezen, het was ook niet nodig, hij had vroeger dat gebed geleerd, hij wist nog alles. Hij keek over het boek heen naar oom Eli, hij keek en keek, hij moest kijken omdat hij hem nooit meer zo zou zien.
Oom Eli lag op zijn kussens met hetzelfde diepgenietende lachje,
193