Het kreunde achter in zijn keel. Hij trachtte nog harder te rennen, nu was hij al bij de Muiderstraat, - als hij nog maar op tijd kwam, dat oom Eli kon zien, dat hij nog altijd van hem hield.
Hij was natuurlijk de laatste jaren niet meer zo vaak in de Stichting geweest. Hij ging nu nooit meer naar sjoel, want hij moest naar school op de sabbatmorgen, zijn vader wilde niet dat hij op de Handelsschool zoveel schooltijden verzuimde. Hij had dat gelukkig nooit aan oom Eli hoeven vertellen omdat die toch ook niet meer buiten de Stichting kwam. Maar op de joodse nieuwjaarsdagen had hij altijd gezorgd dat hij in zijn beste kleren bij oom Eli kon gaan gelukwensen, hij had geen jaar overgeslagen, hij had altijd in zijn schoolagenda gezocht naar de joodse feestdagen. Dit jaar was hij het laatst bij hem geweest in april op het Pesachfeest, dat was de laatste maal dat hij oom Eli had gezien.
Die keek toen al niet meer uit aan het venster, daar tochtte het nu te veel. Hij had naast de kachel gezeten in een leunstoel met een groot wit rugkussen en had zijn handen uitgestoken toen Henri binnenkwam. Hij had die dag maar kleine zinnetjes met korte woorden gezegd, Henri had zelf een uur lang moeten praten. En er was niet veel meer waarover hij met oom Eli praten kon, - misschien was hij wel niet meer teruggegaan omdat hij het te moeilijk vond tegen oom Eli te praten.
Van binnen schold hij zich uit: ‘Egoïst! Egoïst! Waarom ben je nooit meer gegaan?’ En tegelijk drukte hij zijn hand in zijn zij, die stak door het hevig draven.
Eindelijk stond hij ademloos op de stoep van de Stichting, even moest hij wachten eer hij voorzichtig genoeg de bel kon overhalen.
De huisknecht Mousje deed open, hij zag Henri’s angstige ogen en glimlachte geruststellend.
‘Leeft hij nog?’ vroeg Henri.
‘Ja,’ zei Mousje. ‘Kom maar gauw mee, we gaan Sjeimes zeggen.’ Zover was het dus al, men begon het gebed voor de stervenden te lezen. Henri liep op zijn tenen achter de bediende aan, - zijn hart klopte hoog in zijn keel - zou oom Eli hem nog herkennen?
‘Hij is nog goed bij,’ zei de huisknecht Mousje. Henri verwonderde zich, - de tegemoetkomende vriendelijke stem klonk net als altijd, even rustig en tevreden.
Mousje bleef staan aan de deur van oom Eli’s kamer, maar eer hij opendeed, knikte hij Henri bemoedigend toe, hij was nu geen knecht meer. Hij gebaarde wel even rustig en vanzelfsprekend als op iedere gewone dag, maar achter zijn rust was een zekere waardigheid alsof hij Henri inleidde tot een plechtige wijding.
192