grove maar stralende gezicht van Marks vader voor zijn ogen, diep donker en hel licht, meer dan levend, bovenmenselijk levend. Tegelijk zag hij duidelijk dat Rembrandt daarvan een apostelkop zou hebben gemaakt of een Abraham bij het Offer.
Dankbaar keek hij omhoog naar de brede stille gevel, zijn hart lachte diep en blij. Er was misschien toch een weg.
‘Bent u daar, jongeheer?’ vroeg een stem toen hij de voordeur opensloot. ‘Ja, wat is er?’ vroeg Henri. ‘Het is net elf uur, je hoefde je waarachtig niet ongerust over me te maken.’ Hij ergerde zich de laatste dagen vaker over het toezicht dat de veertigjarige vreemde keukenmeid hield op zijn komen en gaan, - hij kon niet weten dat mijnheer Godschalk haar dit had opgedragen.
‘Jongeheer, er is twee maal opgebeld uit de Stichting. De oude heer Godschalk heeft naar u gevraagd.’
‘Hoe gevraagd?’ zei Henri, ‘is er dan iets bijzonders?’
En op hetzelfde ogenblik wist hij dat er natuurlijk iets bijzonders was. Dokter Querido had al gewaarschuwd. God - daar had hij helemaal niet meer aan gedacht.
‘De oude heer moet heel slecht zijn,’ verzekerde de meid, opgewekt belangstellend in het aanstaand sterfgeval.
‘Ik ga erheen,’ zei Henri, ‘laat de ketting van de bovendeur.’
‘Ja jongeheer,’ zei de meid en bleef geïnteresseerd hoofdschuddend kijken hoe Henri de stoep afstoof. De jongen rende als een bezetene.
Hij rende de Hoogstraat door en de Breestraten, zijn benen liepen vanzelf zo hard ze konden, hij hoefde er niet bij te denken. Zijn hersens dachten buiten zijn benen om, ze pijnigden zich af hoe ze oom Eli hadden kunnen vergeten.
‘Vergeten’ dat was het woord ook niet, het bericht van dokter Querido was niet vergeten, het was nooit helemaal tot hem doorgedrongen. Wat had de dokter gezegd? ‘Hij heeft het over je gehad, en hij is erg minnetjes.’ Nu wist hij het weer, woord voor woord. Hij had kunnen snikken en vloeken. Verdomd, dat kwam nu door de voorzichtigheid van de grote mensen. Als de dokter had gezegd: ‘je oom gaat dood, als je hem nog zien wil, moet je dadelijk naar hem toe’, dan was hij er gistermiddag direct heen gegaan. Nu was hij naar Mietje gegaan en naar Mark, naar mensen die nog lang niet dood hoefden, - en oom Eli had een paar maal naar hem gevraagd...
191