‘Met jullie allebei,* zei Mark. Hij praatte schor en hoog of zijn hart te snel klopte. ‘Met haar natuurlijk, omdat jouw soort alleen maar misbruik weet te maken van de meisjes. Dacht jij dat je later ooit als een gelijke kan omgaan met zo’n proletariërskind? De een of andere dag trap je haar toch weg naar de goot. En jouw ongeluk is, dat je niet gemeen genoeg bent om zoiets te kunnen vergeten, zoals de andere bourgeois, - je zult er je levenlang berouw van hebben.’
Mark ademde diep. ‘Als ze van mij hield, dan zou ik met haar trouwen, - nu ja - later natuurlijk. Maar dat zal jij nooit doen.’ Henri schrok, hij had nog nooit zover gedacht, en zeker niet over trouwen. ‘Wat haal je toch allemaal overhoop!’ klaagde hij. ‘Van al wat je denkt, is niets waar. We lopen zo nu en dan eens samen, we kennen elkaar ook al ons hele leven, - en ze laat zich wel eens een zoen geven, - dat is alles.’
‘Aan de vrouwen ben ik nog niet toe...’ ging hij voort en ergerde zich toen omdat hij woorden gebruikte, die niet van hemzelf waren. Mark had zich omgekeerd en liep terug naar de stad. Uit de zo-meravondnevel doken gouden lichtvlekjes op. Hij zei niets meer, hij beende vooruit op zijn capabele platvoeten.
‘Mark,’ zei Henri en slikte, ‘als ze met jou wil lopen, zal ik het je nooit kwalijk nemen, ze moet toch zelf weten wat ze wil. ’t Is eigenlijk onzin dat je haar niet op zou mogen zoeken.’
‘Och nee,’ zei Mark, ‘ik zei dat zomaar. Ik heb werkelijk eerst gemeend dat ik haar een beetje socialistisch inzicht wou bijbrengen. Ik begreep pas wat er met me aan de hand was toen dat ouwe loeder ons stond uit te schelden. Maar ze kijkt natuurlijk alleen naar jou.’
Hij liep wel tien minuten zonder een woord te zeggen, toen besloot hij, hard en beslist:
‘Maar lid van een vakbond maak ik haar, daar kan je donder op zeggen.’
En toen liepen ze alweer op de Weesperzij onder de bomen langs de Amstelkant. Bij de roeivereniging ‘De Hoop’ was feest, men hoorde het al uit de verte, er werd ook gedanst, de slepende walsmuziek behoorde niet bij het brede duister.
Mark stak over naar het trottoir langs de herenhuizen, maar nu zonk de lauwe stadslucht definitief over hen heen.
Opeens stonden ze in de rosse schijn van cafélichten. ‘Dat is “De IJsbreeker”,’ zei Mark. ‘Daar komen ’s avonds een heel stel partijgenoten bij elkaar, allemaal kopstukken. Hele avonden zitten ze er, tot in de nacht.’
187