vaders kennissen, waarin alles een beetje leek op wat er thuis was te zien.
Hij werd tegelijk met Mark binnengelaten in de gang van de Koppens. Die hing vol met moderne etsen en prenten, - vooral één prent, kon hij dagenlang niet vergeten. Het was een lithografie, naar een schilderij van een zekere Vincent, waarvan hij nog nooit had gehoord, maar de naam stond eronder. Tegen een hopeloosdonkere achtergrond tekende zich een kring van halfmenselijke tronies, gebogen naar het middelpunt van een boerse schaal met aardappels, het was vreselijk dat dit mensengezichten konden zijn. Toen hij er een paar minuten naar had staan kijken, was hijzelf van binnen helemaal donker geworden.
Maar daardoor kreeg hij later, terwijl hij werd binnengelaten in de grote zitkamer van de Koppens, een dubbele schok, toen hij zag, hoe bijzonder en mooi het daar was. Er stonden donkere, dofma-honie meubelen zoals hij nog nooit had gezien, wel heel rechtlijnig en zonder opgelegde versiering maar van een zo verfijnde soberheid als hij bij geen enkel antiek meubel, van welke periode ook, kende. Een geheel effen zachtgroen tapijt bedekte de vloer en uit een hoge melkwitte vaas stegen twee takken tijgerlelies omhoog. Op het zwart fluweel van een voetkussen lag een spierwitte donzige kat lui te slapen en een mooie donkere vrouw stond in het koele licht van de erker tegen grijslaken gordijnen.
Ze kwam naar voren, gaf Mark een hand en vroeg iets over een vergadering. Henri kon zijn ogen niet afhouden van haar rijzige verschijning, ze was gekleed in vreemdmooie kleren die hij ook niet kende. Ze droeg een nauw goudbruin kleed, heel anders dan de japonnen met tailles van Julie Godschalk. Een kleurig geborduurde band hield het kleed bijeen onder de borst en ook om de vierkante halsuitsnijding lag een rand van borduursel. En dat was alles, er waren geen volants of gestrikte ceintuurs of vleugelmou-wen, de vrouw was gekleed als op een oud Italiaans schilderij. Maar ze was toch niet slank en beheerst als de renaissance dames, juist andersom, haar borsten en heupen drongen op onder het gladde laken en haar donker krulhaar sprong los uit de dikke vlechten. Haar mond en haar wangen waren vol en toen ze ging zitten, bogen haar dijen uiteen. Het was onbegrijpelijk dat die vrouw deze kleren en deze meubelen had uitgezocht. Henri moest er haar op blijven aankijken en zoeken wat nu eigenlijk onecht was, de mooie vrouw of de mooie kamer.
Toen hij later wegging door de gang, prentten de donkere halfmenselijke gezichten van de ‘aardappeleters’ zich nog dieper in zijn ogen. Een beetje verward liep hij verder naast Mark.
185