‘Bernstein, Die Voraussetzungen des Sozialismus. God, wat jammer, het is het laatste exemplaar, daar was ik net mee bezig.’ ‘Verkocht is verkocht,’ zei vader Zadoks, maar treuzelde toch even eer hij het trouw om het pak knoopte.
‘Mijn zoon zal het meteen bij u bezorgen, mijnheer Koppen, hij heeft toch vakantie. Mark, ga jij met mijnheer mee.’
Mark tilde het pak onder zijn arm. ‘Het is toch op onze weg,’ zei hij tegen Henri. ‘Nou mijnheer Koppen, dat weegt wat.’
‘Ja,’ zei de oude Zadoks, ‘dat hoofd van u wordt alsmaar gewichtiger, mijnheer Koppen .’ En hij glimlachte.
De heer met de panama, waaronder een zelfgenoegzaam, paffig gezicht schuilging, kneep zijn dikke lippen tot een tuit, steunde zijn kin op zijn hoge boord en zei:
‘Ja Mark, - dat is nu eenmaal zo. Ik heb veel gelezen en weet weinig en je vader heeft weinig gelezen en weet veel. Kijken wat het verst brengt, jongen. Dag Zadoks.’
‘Dag mijnheer Koppen,’ zei Zadoks.
‘Ik ben geen mijnheer, ik heet Koppen, partijgenoot,’ zei de heer met de panama geërgerd.
‘Ik zeg mijnheer tegen wie ik wil!’ verzekerde Zadoks. De heer sloeg met een smak de winkeldeur achter zich dicht.
‘Alsjeblief Mark,’ zei Zadoks. ‘Daar heb je nou de intellectuelen. Had-ie jou dat boek nou niet nog even kunnen laten? Maar zo zijn ze, - denken niet aan de mensen, alleen aan de boeken.’
‘’t Is maar een halve intellectueel, u moet niet onrechtvaardig wezen,’ zei Mark. ‘Er zijn ook wel anderen, Gorter bijvoorbeeld en mevrouw Holst.’
‘Jawel,’ zei Zadoks tegemoetkomend, ‘je hebt gelijk. Allemaal fijne mensen. Daar zeg ik niks tegen.’ En hij bukte zich naar een nog bruikbaar touwtje op de grond.
‘Kom,’ zei Mark, ‘ga mee, we moeten Koppen achterna.’
Henri wilde groeten, maar eer hij zijn hoed kon afnemen, greep vader Zadoks hem bij een arm, wees naar een groot lithografisch portret aan de wand en zei met een diepe, warme stem:
‘Daar! Dat is de man die ons helpen kan. Die denkt niet aan zichzelf en niet aan de boeken, dat is een groot man.’
Henri spelde de handtekening onder de kop, en vroeg:
Troelstra?’
De oude Zadoks knikte hem toe. Zijn breed gezicht straalde van liefde.
Henri zag die avond veel dingen en mensen die verwonderlijk anders waren dan wat hij tot dusver had gezien in de huizen van zijn
184