papier was de leesbibliotheek, want Zadoks leefde niet alleen of voornamelijk van de verkoop der economische en propagandistische literatuur des tijds, - daarvan had hij geen vrouw en zeven kinderen te eten kunnen geven. Hij hield ook een leesbibliotheekje, gestoffeerd met de Marlitts, de Paul de Kocks en Corelli’s die het beter betalend publiek verlangde, en de vele decimeterdikke stuiversromans voor de onverzadigbaar lezende dienstboden, - die ’s avonds in hun opgeruimde keukens grote voorraden leesstof verslonden, terwijl ze paraat zaten te wachten op de belseinen der meesters. Stoffig rook Zadoks’ winkel omdat moeder Zadoks genoeg te doen had in haar eigen huishouding en het haar bij haar zwaarlijvigheid onmogelijk was om ook nog een hele leesbibliotheek van de planken te nemen; de zeildoeklucht echter was te wijten aan de schooltassen, de boterhamzeiltjes en de vele zwartglimmende opschrijfboekjes. De gehele geurstructuur van het zaakje legde zich bij het binnentreden neerdrukkend op keel en longen en Henri, die zich herinnerde dat de oude Zadoks zijn winkel was begonnen omdat hij een zwakke borst had, vroeg zich verwonderd af welke atmosfeer hij dan oorspronkelijk wel ontvlucht moest wezen.
Voor de toonbank stonden twee helblonde dienstmeisjes te bladeren in een vette catalogus, en een klein joods jongetje zocht voorzichtig in een doos naar een mooi velletje voor zijn nieuwjaarsbrief. ‘Neem die maar,’ zei de oude Zadoks. ‘Twee duifjes in een bloemenkrans, kijk, je kan ze naar voren trekken.’
‘Er zit een vlek op,’ zei het jongetje. ‘Krijgt u van het jaar geen nieuwe meer? ik kan nog best een week wachten, over drie weken is het eerst Rousj Hasjono.’
‘Nee,’ zei Zadoks, ‘er komen geen nieuwe. Ze worden haast niet meer gevraagd. Daar steek ik geen centen meer in.’
Het jongetje stak verdrietig zijn lippen vooruit en begon opnieuw te zoeken. ‘Wat blieft mijnheer?’ vroeg Zadoks de wachtende Henri. ‘Is Mark thuis?’ vroeg Henri. Hij had oplettend toegezien hoe Zadoks bezig was in zijn winkeltje, er was zo niets bijzonders aan de man, hij had de gewone drukke manieren van de al-te-ijverige kleine winkelier. Ook zijn voorkomen was niet meer dan gewoon, - kort en gedrongen stond hij tegen de toonbank, zijn opstaande kuif was al bijna grijs en zijn breed, zwaar gezicht, even grofbe-sneden als dat van Mark, was blijkbaar te vroeg oudgeworden, het zat vol rimpels.
‘Komt u voor Mark?’ vroeg Zadoks. ‘Bent u dan misschien de zoon van de antiquair Godschalk?’
‘Ja mijnheer!’ zei Henri, verheugd dat Mark al over hem had ge
181