Henri van de overkant

Titel
Henri van de overkant

Jaar
1936

Druk
1963

Overig
5ed 1963

Pagina's
255



de Oudeschans de verre luchten in.

Hij bleef maar kort staan, want het was al half acht en hij wilde Mark beslist thuistreffen. Hij liep verder, de Jodenbreestraat op, langs al de bekende winkels en kelders. Langs de kelderhekken van de poeliers lagen en hingen de geslachte eenden en kippen, sommige nog in de veren en sommige naaktgeplukt met een enkel armzalig piekje uit borst of vleugel. Daarboven, in de slagerijen, hingen de bonken ossevlees, rood vlees en hardgeel vet, het was wel afstotend maar toch mooi. Die bloederige schonken konden natuurlijk niet worden getekend, daarvoor waren geen lijnen, men moest ze kunnen schilderen met dikke smakken rode en gele verf, dat ze bloedig en dierlijk werden en misschien een beetje walglijk. Hij zag duidelijk hoe ze konden staan op een doek, maar daar hield het bij op. Hij wist nog altijd niets van olieverf, de kleuren die hij nu altijd overal zag, waren er zomaar, zonder dat hij ze door zijn hand kon voelen komen. Het was natuurlijk heerlijk dat ze er waren, maar zijn hoofd was verlangend om te weten hoe ze heetten en ze met namen te onderscheiden en zijn handen verlangden om ze te mengen tot zijn ogen tevreden zouden zijn.

Henri keek schuw om naar het huis waar Rembrandt had gewoond en waar nu een horlogemaker in een klein opkamertje zat te prutsen met pincetjes. Hij voelde zich altijd een beetje raar blij worden als hij bedacht, dat de man die de gouden prins van de Nachtwacht had geschilderd en de levende warme hand van diens metgezel, gewoon op de Breestraat in een huis met kamers en deuren had gewoond, daar in-en-uit was gegaan en door de vensters naar de gewone straatdingen had gekeken, zoals hijzelf ook keek.

Nu liep hij vlug verder want er was iets in zijn hart dat zeer begon te doen en opeens merkte hij dat het de balans was, een stroom van tegenzin ging door hem heen. En voor het eerst van zijn leven lieten zijn tanden een vloek los, hardop, diepgemeend en bevrijdend, - ‘Godverdomme!’

En daarna stond hij opeens hardop te lachen voor de Mozes en Aaronkerk, omdat hij nu voor het eerst zag dat het beeld van Aaron geen Goudse kazen op zijn hand droeg, zoals hij altijd sinds zijn prilste jeugd had gedacht, maar dat het de toonbroden uit de Heilige Arke moesten zijn.

Hij liep nog lachend door de stank van de Snijkamer, waar hij anders wel eens een beetje onpasselijk werd, stak over naar het trottoir langs de deftige Portugezensjoel, die hij ditmaal ongezien naast zich liet liggen en duwde het klingelend winkeldeurtje van Zadoks’ boekwinkel open.

Binnen rook het naar vochtig papier, stof en zeildoek. Het vochtige

180

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.