Toen hij zijn hoed van de kapstok nam, bedacht hij dat hij nu maar Mark Zadoks moest gaan afhalen om samen een beetje langs de Amstel te wandelen, want hij wilde best weer een uurtje met iemand praten en hij moest Mark ook nog vragen naar die gekke geschiedenis van Mietje. Ook had hij dan meteen eens gelegenheid om kennis te maken met de oude Zadoks, iets wat hij tot dusver steeds had uitgesteld, - half uit verlegenheid en half uit vrees. Want hij wist van Mark, dat vader Zadoks erg kon opvliegen als men hem slecht begreep en hij was helemaal niet zeker dat hij hem zou kunnen begrijpen.
Hij trok zijn slappe grijsvilten hoed stevig om zijn hoofd en keek in de kapstokspiegel of het zo goed was. Hij hield veel van het hoedje, dat hij, ditmaal tegen de zin van zijn vader, had uitgezocht tussen een hele zending zwartvilten jongeherenhoeden. Zijn vader droeg natuurlijk alleen zwarte bolhoeden en hijzelf had na de pettentijd, een stijf zwart deukhoedje gedragen. Nu had hij zich deze zomer op het grijze slappe hoedje getrakteerd, men kon het in allerlei plooien duwen en dat gaf telkens een ander gezicht.
Henri bekeek zich, hij had eigenlijk nog nooit met zoveel overleg het hoedje opgezet. In de kapstokspiegel zag hij zich plotseling als een vreemd jongmens, dat hem aankeek.
‘Je bent wel een aardige jongen,’ dacht hij, ‘je kon best een vriend van me zijn.’ Hij zag het hoge smalle voorhoofd, even afgedekt door de hoedrand, de fijne lange neus waarboven de donkere wenkbrauwen zich tot elkander bogen, de gestrekte lijn van zijn gesloten mond, die aan de hoeken vriendelijk omhoogwees en drong toen diep in zijn eigen grijze ogen, die iets wilden vragen.
Hij knikte zijn spiegelbeeld toe. ‘Ik zal je wel eens tekenen,’ zei hij, moest toen van binnen zachtjes lachen en voelde meteen de lach veranderen in een fluitdeuntje dat opeens hel door de gang klonk. Met een slag trok hij de voordeur achter zich dicht.
De Nieuwe Hoogstraat en de St. Anthoniesbreestraat hadden hun gewoon vroegavonds gezicht. Venterskarren stonden er niet meer en de winkeliers schepten een luchtje aan hun voordeur. Uit de zouteviswinkel kwam de scherpe zilte lucht die aan de Schevening-se visafslag deed denken en als men zijn neus daarvan weg draaide zag men de gekruiste doodsbeenderen op het poortje waarachter de Zuiderkerk lag.
Op de St. Anthoniesluis stond hij stil om naar de vriendelijke Montalbanstoren te kijken en naar de sluiswachter, die geleund tegen de geelgeschilderde handspaken een pijpje rookte. Hier kon men nog zien dat Amsterdam vroeger aan zee had gelegen, - naar de IJkant keek men heerlijk langs het glimmende, brede water van
179