het mijn ongeluk zal zijn.’
Mietje praatte rap en rapper terwijl ze de taks zachtjes opdrong langs de stoephoeken.
‘Ik moet terug, zeg,’ zei ze, ‘ze zullen niet weten waar ik blijf.’ Toen werd ze opeens wit, mompelde ‘jesses nog an toe’ en trok Henri achteruit tegen een opstoep. Tegelijk streek een lange bleke jongeman langs hen heen, zijn lichtblauwe ogen kwamen uit de schemer onderzoekend dichtbij Henri’s gezicht, toen liep hij verder met de overgewichtige stap van de dandy, zijn bovenlijf wierp zich telkens een eindje verder naar voren dan zijn lange benen.
‘Daar heb je het gedonder in de ramen,’ zei Mietje gelaten, de kleur kwam al terug in haar wangen.
‘Wie is dat?’ vroeg Henri.
‘De jongeheer natuurlijk!’
‘Wat een rare vent is dat.’ Henri bekeek wantrouwend de zich verwijderende lichtgebogen rug, die alweer bijna was opgenomen in de avondschemer.
‘Rare vent? Een vuilak is het!’ barstte Mietje los, ‘een smerige kwal! Dat is nou een meneer godbetert, dat is nou het lieve zoontje van dat stuk schijnheiligheid, - en de eerste avond heeft de keukenmeid me al gewaarschuwd, dat ik de deur moest afsluiten als ik me opknappen ging! Laat-ie me nou toch gisteravond stiekem op zijn kamer komen en de deur afsluiten terwijl ik zijn sprei afneem... bah, de viezerd.’ Ze rilde. Henri was zo geschrokken dat hij niets wist te zeggen. Hij keek Mietje angstig aan maar die lachte alweer.
‘Ik kan goddank goed op mezelf passen,’ zei ze, ‘hij heeft een kink in zijn smoel gehad, nou mijn knokkels deden me zeer. Maar ik zal wat moeten horen nou dat sekreet me met jou heeft gezien. Afijn, - het leven is geen klare met suiker.’ Opeens lachte Mietje hardop. ‘Godzalme, - wat sta jij versteend! - trek je d’r maar niks van an jonge, dat doe ik ook niet. Nou adieu hoor, - ik ga.’ Henri haalde diep adem. Nu was het alweer voorbij, jammer. Met Mietje voelde hij zich nooit alleen, hij vergat dan altijd dat hij zichzelf was. En nu, na al die dagen in het lege huis, waar zijn lippen alleen even opengingen om onverschillige dingen tegen de keukenmeid te zeggen, was het heerlijk om eens echt om-en-om te praten.
‘Jammer, dat je naar binnen moet,’ zei hij. ‘Zouden we niet nog eens samen kunnen wandelen, op je vrije dag? Ik ben de hele maand alleen thuis.’
‘Natuurlijk,’ zei Mietje. ‘Graag! - Zondag ben ik vrij, schrijf maar een kaartje hoe laat je kan. Zet er maar “Henriette” onder.’
177