ten liggen. En net toen hij omhoog stond te kijken naar een rond
medaillonvenstertje, dat allerliefst was gevat in een krans van gebeeldhouwde bladeren en waarachter hij zich best het vriendelijk meisjesgezichtje wilde voorstellen, kriebelde hem iemand achter in zijn hals.
Hij schrok en keek om en daar stond Mietje achter hem. Mietje zelf in een waterblauw gesteven katoentje en met een helderwit gepijpt tulemutsje op haar blond, gladgescheiden haar. Hij keek met grote ogen. Ze was nu werkelijk een echt dienstmeisje, een meisje, zoals Stina was geweest. Haar kraagje sloot glad langs haar hals met een Zeeuwse speld en haar gesteven boezelaar was netjes gestrikt om haar gekorseteerd middel. Het korset stond stijf en duwde haar borst omhoog, ze had nu een echt vrouwenfiguur, slank en toch lief gevuld, hij had haar nog nooit zo goed bekeken. Toen zijn ogen haar zwartleren pantoffeltjes loslieten, merkte hij pas dat ze een hond bij zich had, een dikke, gladde, gele taks, die stompzinnig staarde uit dofbruine, glazige ogen. De hond snuffelde naar Henri’s schoenen en ging toen zitten en astmatisch hijgen. Mietje trok maar de hond bleef zwaar zitten waar hij was. ‘Lui kreng!’ schold Mietje.
‘Waar zijn je krulletjes gebleven?’ vroeg Henri. Het was gek, dat dit het eerste was wat hij zeggen moest, maar het was nog gekker om Mietje te zien zonder de dansende krulletjes boven haar voorhoofd, ze had nu zo’n glad vrouwengezicht.
‘Vastgeplakt,* zei Mietje. ‘Mevrouw vond ze ordinair en de jongeheer trok eraan als hij me tegenkwam in de gang. En daar bedank ik voor, - die kwal van een vent, - laat-ie zijn handen thuis-houen.’
Er stond een diepe frons tussen haar wenkbrauwen. Ze trok de taks achteruit, toen keek ze om en retireerde naar de huizenkant. ‘Loop effe mee op, mevrouw zit achter het spionnetje, als ze me in de gaten krijgt, ben ik erbij.’
Henri liep gehoorzaam mee. ‘Hoe heb je het?’ vroeg hij.
‘Bedonderd,’ zei Mietje. ‘Eten en drinken genoeg maar nooit een ogenblik vrij. Ze verpesten je nog je uitgaansavonden ook, soms blijven ze tot half negen aan tafel zitten. En dan moet je toch binnen zijn om half elf. Later is onfatsoenlijk, zegt mevrouw. O jó, dat is een serpent, ze gunt je net niks.’
Henri wist niet te troosten, hij kende dit niet. Het leek op het sprookje van Assepoes, dat hij altijd een verhaal voor meisjes had gevonden en dat nu bij Mietje ook precies uitkwam.
‘’t Zal misschien wel beter worden...’ troostte hij tenslotte onhandig.
175