te schorten en zes bonte. Maar nu moet ik verder helemaal voor mezelf opkomen. Dat kan ook, hè? Tachtig gulden per jaar, jol’ Henri had er Mietje op moeten aanzien, dat die nu helemaal voor zichzelf zou gaan zorgen, ze was toch ook pas zeventien. Het sprak wel vanzelf, want ze was arm, maar hij vond het toch erg flink van haar.
‘Moet je er erg had voor werken?’ had hij gevraagd.
‘Nogal wiedes. Een groot herenhuis en ik sta voor al het kamerwerk. Maar je krijgt niks cadeau, hè? Nou, en als ik mijn loon beur, dan haal ik een spaarbankboekje en dan ga ik sparen voor een echte fijne mantel met een bontkraagje, dat heb ik mijn levenlang al willen hebben.’
‘Kom!’ Mark Zadoks had ongeduldig gewenkt dat ze verder moesten naar school. Toen had Mietje nog gauw haar hand uitgestoken. ‘Nu zullen we elkaar wel niet vaak meer zien, hè?’ had ze gezegd en Henri, met haar hand in de zijne, had opeens geweten dat ze dat allebei jammer vonden.
‘We zullen elkaar nog best eens zien,’ had hij gezegd, *we weten toch waar we wonen.*
Maar Mark Zadoks was ontevreden blijven kijken tot aan school en had gescholden op de domme meiden, die zich lieten uitbuiten en hun lichaam lieten afjakkeren net in de beste tijd van hun leven. Alleen maar voor een mooiere mantel of een hoedje, ‘’t Is om je dood te ergeren,’ had hij gezegd. ‘Bij haar thuis zijn het allemaal vrijen, dat weet ik want ik ken die oom die lid is van de federatie, maar geeneen neemt de moeite om zo’n meisje iets wijzer te maken. Ik heb waarachtig goeie zin om doodgewoon bij haar op huisbezoek te gaan.’
‘Op de Herengracht laten ze je niet eens binnen als je voor de dienstbode komt!’
‘Dan wacht ik haar wel eens op als ze uitgaat.’ Mark had zo beslist gekeken dat Henri niets meer durfde zeggen, maar hij had het wel heel onplezierig gevonden, dat Mark Zadoks zich nu ging bemoeien met zijn eigen vriendinnetje, dat hij zijn hele leven had gehad.
Dit alles viel Henri weer in, terwijl hij kuierde langs de Herengracht. Hij keek er de huizen op aan, dat hier nu ergens Mietje wonen moest. Met zijn hoofd in zijn nek keek hij omhoog naar de allerbovenste verdiepingen waar de meidenkamertjes zijn, ook speurde hij door het glas en smeedwerk van de onderdeuren in de souterrains, waar achter de lange marmeren gang de keukens moes
174