dan die van de fatsoenlijke arbeiders of de nette zakenheren van Amsterdam. En de oude mannen van de Zeedijk hadden gezichten waarop men hun leven kon begrijpen, al waren ze ook rood en blauw van de drank.
‘Aha,’ zei de dokter. ‘Is het dat? Heb je ook al de romantiek van de achterbuurt te pakken? - Zeker Eduard Jacobs gehoord?’
‘Neen,’ zei Henri, ‘wie is dat?’
‘Een liedjeszanger, hier uit de Pijp, een groot, destructief talent.’ Henri herinnerde zich opeens dat de dokter magon was. ‘Maar Steinlen ken je toch zeker?’ - Henri knikte geestdriftig ja. ‘Natuurlijk, dat dacht ik wel, - en Bruant enz. Goed, dat is allemaal werkelijkheid, maar gezien a travers un tempérament -d’artiste natuurlijk, maar toch destructief. Als je Bruant hoort, zou je zeggen dat alle jongens van de vlakte ridders waren, — roofridders misschien, maar toch rasmensen, niet? Montrouge en messen en hartstocht en jaloezie en de guillotine. Beste jongen, dat is nu net dezelfde romantiek als de vervolgromans van je keukenmeid. Alleen de artiesten zien de Nes en de Zeedijk van die kant, een dokter maakt er wel andere dingen mee.’
Henri bleef beleefd staan luisteren, hij zag op de pendule achter de rug van de dokter dat het al half vier was, maar hij had geen haast. Hij wilde nog wel blijven. Dokter Querido was hem altijd wel een beetje te zelfverzekerd, ook als hij naast zijn bed voorschriften zat te geven, maar hij was toch interessanter dan de meeste andere heren uit zijn vaders kennissenkring.
‘Ik kom veel op de Zeedijk zie je, ik heb er een heel stel stadspatiënten, en, ze mogen me wel ook, - ik denk altijd maar: een zieke is een zieke. Vanmorgen ben ik er nog gehaald bij een jonge meid, - d’r pooier had ’r een stuk uit d’r neus gekapt, - waarachtig, - zogenaamd - omdat ze niet voor zijn eten had gezorgd, - maar zij zegt dat ie van haar af wilde omdat ze niet genoeg meebracht. Nou ja, zo’n lekker dier is zij nou ook niet, want zij heeft al eens drie maanden gehad omdat ze haar ouwe moeder had afgetuigd met haarspelden. Maar als je de heren kunstenaars hoort, hebben al die gosers harten van goud en zitten de bordelen vol met engelen van verleide meissies. Moeten ze mij wijsmaken!’
Henri keek vertwijfeld naar de rustig gaande slinger van de pendule. Hij wilde die slinger blijven zien want daarnet was een geschonden mensenneus voor zijn ogen gekomen en een paar bloe-dendrode lijnen over een oudevrouwengezicht. Het was wel ellendig dat hij zich de dingen altijd dadelijk moest voorstellen.
Dokter Querido keek hem onderzoekend aan.
‘Hou jij je maar liever aan de mooie kant van het leven, jongen,
172