gelukje - misschien vind je nog eens een aardig meisje dat toeschietelijk is... wie weet!’
‘Maar dat zou juist helemaal gemeen zijn!’ riep Henri en zijn hart schrikte opeens zo hevig dat het hoorbaar klopte. ‘Men mag toch niet beginnen met een meisje waarmee men niet trouwen kan?’ Hij wachtte angstig op het antwoord van de dokter, het was of het hele gesprek onbelangrijk was geweest tot dit moment.
‘Gemeen?’ zei dokter Querido en glimlachte, ‘neen, het is helemaal niet gemeen als je in je jonge jaren een meisje tegenkomt dat lief voor je wil wezen en je neemt aan wat ze je te geven heeft. Dat is zuiver menselijk en je moet alleen tevoren eerlijk zorgen, dat ze weet waar ze met je aan toe is. Ik ben ook jong geweest, nietwaar? Laat ik je zeggen, dat een vrouw beter af is als ze in haar jeugd een beetje liefde heeft gekend, dan dat ze haar hele leven nooit anders heeft gedaan dan ploeteren en wassen voor een armoedzaaier, die haar misschien nog slaat ook.’ De dokter glimlachte nog steeds, hij keek Henri aan maar die merkte wel dat hij hem niet meer zag, de glimlach ging ergens anders heen.
Even zat de jongen stil naar de dokter te kijken. Er was iets in de war geraakt, binnen in hemzelf, hij kon niet meer met de dokter meedenken, er haperde iets. Toen vroeg hij secuur: ‘Op school, in de vijfde klas, zijn er al een paar die meisjes hebben, - vaste meisjes, ziet u, — de jongens noemen dat een scharreltje, — dat kan toch nooit goed zijn, als je van een meisje dat van je houdt, een scharreltje maakt?’
‘Och,’ zei de dokter luchtig, ‘laten we daar nu maar niet verder op ingaan.’ Zijn ogen waren weer gewoon bij Henri teruggekomen. ‘Eigenlijk heb ik al te veel gezegd, - de mensen kletsen toch al genoeg over mijn moderne ideeën. Ik zei je immers dat je nog te jong bent, - je bent nog lang niet aan de vrouwen toe. Als je nu student wordt of zoiets, staat de zaak anders, - dan moet je me nog maar eens om raad komen vragen, hoor. Maar ga nu in ieder geval maar niet meer de Zeedijk op.’
De dokter stond al voor zijn stoel en ook Henri kwam overeind. Hij was ontevreden over het gesprek, maar wist niet hoe het anders had moeten zijn. Wel voelde hij duidelijk dat hij verkeerd was begrepen en wist zich toch in zijn recht: - waarom zou hij nu niet gewoon over de Zeedijk kunnen lopen en rondkijken?
‘Ik vind de Zeedijk juist zo echt,’ zei hij. ‘Ik ging heus niet om die vrouwen, ik kijk eigenlijk veel liever naar de mannen, - men zou ze goed kunnen tekenen.’ Hij trok met zijn vinger een lenige, losse lijn in de lucht en glimlachte, - zo waren inderdaad de ruggen van de mannen in hun blauwe truien, ze waren heel anders
171