ker, daar vroeg die man een dubbeltje voor in de week, - en alles bij mekaar maakte hij nog geen negen gulden weekloon. De Gemeente buit die mensen smerig uit. Maar wij zullen ze wel bewustmaken.’
‘Ja,’ zei Henri, ‘ik vind het ook ellendig dat de arme mensen niet genoeg te eten krijgen, dat moet natuurlijk anders worden. Maar het lijkt me toch wel aardig om voor de lantarens te zorgen, misschien vindt die man het ook niet naar. Als je nou toch zelf niet weet dat je wordt uitgebuit?’
‘Dan gebeurt het daarom toch evengoed,’ zei Mark Zadoks. ‘Afijn, de arbeiders beginnen het nu ook wel te begrijpen. - Ga jij nou morgen maar naar je dokter, dan kan die je vertellen hoe je de meisjes van de vlakte uitbuiten moet.’
‘Je bent onredelijk,’ zei Henri. ‘Wat weet jij nou van dokter Querido af?’
‘Dat hij een bourgeois is!’ zei Mark Zadoks, stak haastig het Damrak over en verdween achter de deur van een tweederangs café.
De volgende middag zat Henri gehoorzaam in de wachtkamer van de dokter. Hij moest lang wachten want dokter Querido had een goede naam en een grote praktijk, ’s Middags belden allerlei nette mensen aan de bovendeur en ’s morgens voor negenen stonden de fondsleden in een lange rij te wachten voor de benedendeur en langs het trottoir. Nu was de wachtkamer vol met goedgeklede dames en heren. Henri hoopte maar dat de dokter haast zou hebben en niet veel zeggen zou. Maar het kwam anders uit want de dokter liet hem zitten tot iedereen weg was en nam hem toen mee naar zijn eigen huiskamer.
‘Zo,’ zei dokter Querido. ‘En begrijp je nu al waarvoor ik je heb laten komen?’
‘Ja,’ zei Henri, Vel een beetje. U wou zeker zeggen, dat die vrouwen op de Zeedijk gevaarlijk zijn.’
Dokter Querido lachte hardop. ‘Nou, - gevaarlijk - dat hangt ervan af, maar men moet met ze weten om te gaan. En daar ben jij nog een beetje jong voor, niet?’
‘Ik word zeventien in november,* berichtte Henri consciëntieus, zoals hij de dokter ook altijd naar waarheid zijn temperaturen opgaf als het nodig was. De dokter zei niets en bleef hem peinzend bekijken, de jongen werd er kregelig van.
‘Dacht u nu werkelijk dat ik iets beginnen wou met die vrouwen?’ vroeg hij. ‘Ik liep daar maar zo’n beetje te kijken, ik was heus niet van plan om ergens naar binnen te gaan.’
‘Neen,’ zei de dokter, ‘dat is men gewoonlijk ook niet van plan
169