ze allemaal nog verder zou kunnen willen.
Naar de Zeedijk was hij het meest nieuwsgierig geweest, hij wist al van de Zeedijk sedert hij heel klein was. Op sommige avonden had hij zelfs uit bed moeten opstaan omdat van de Zeedijk lawaai kwam en gegil en schelle politiefluitjes, daarna werd dan altijd iemand door agenten opgebracht langs de overkant. Maar andere keren, op Hartjesdag bijvoorbeeld, rolden er open landauers aan van de Zeedijk, daarin lagen dan hel-geklede vrouwen met wijde rokken die langs de rijtuigtreden golfden, en mannen met harmonika’s. Ze zongen en lachten en brachten een vrolijke opschudding langs de overkant en een diep plezier in zijn eigen hart, dieper dan de gewone kinderachtige pleziertjes.
De Zeedijk had altijd iets overgehouden van een sprookje, - een sprookje als Roodkapje of Kleinduimpje, waarbij men griezelen moet om de wolf en de menseneter, - maar diep en echt griezelen, wat juist prettig is.
De derde maal liep hij over de Zeedijk met Mark Zadoks, die naar een vergadering moest op het Damrak en die hij een eindje opbracht langs de kortste weg. Het was pas half negen en nog licht langs de weg en de Zeedijk was doodgewoon vervelend. Mark liep haastig voort en keek links noch rechts. Henri zag hier en daar wel geblankette gezichten voor de ramen maar die waren niet de moeite waard om te bekijken, zijn ogen gleden er vanzelf voorbij. Een paar slungels leunden tegen een lantaarnpaal en twee agenten liepen kalm te patrouilleren in het midden van de straat, er was zo niets bijzonders aan de Zeedijk.
Opeens zag Henri een bekend gezicht. Dokter Querido trok de deur van een bovenhuis achter zich dicht.
‘Zo Henri,’ zei hij. ‘Wat doe jij hier in de buurt?’
Henri was gewend dat hij de dokter moest antwoorden op al zijn vragen, hij bleef staan. Ook Mark Zadoks hield zijn pas in, maar onwillig.
‘Ik loop even op met mijn vriend,’ zei Henri.
‘Je moet bij avond toch maar liever niet door deze buurt kuieren,’ raadde dokter Querido.
‘Waarom niet?’ vroeg Henri, een beetje geraakt omdat de dokter bedilde. Hij was juist bezig de Zeedijk te ontdekken. Vanavond was er wel niets bijzonders, maar de andere keren had hij belangrijke dingen gezien, - er waren veel mensen met echte gezichten. En hij had nog niet gedacht, dat hij iets te maken zou kunnen krijgen met de vrouwen achter de weggeschoven gordijntjes.
‘Is je vader niet op reis?’ vroeg Dokter Querido.
‘Ja dokter, naar Zwitserland, - voor een week of drie.’
167