Henri van de overkant

Titel
Henri van de overkant

Jaar
1936

Druk
1963

Overig
5ed 1963

Pagina's
255



kunnen gebruiken om aan de overkant van het IJ de zon te zien ondergaan; als het kon trakteerde hij zichzelf wel eens een enkele maal op het silhouet van de Amsterdamse daken en torens, die in de vallende avond donker en puntig opstaken tegen een blauwgroene hemel. Het lichte wemelende water van het IJ op de voorgrond spiegelde dan nog juist het laatste rood. Als de rijen lantaarn-puntjes gingen lichten langs de donker begrensde kaden, kon hij meestal weer opgelucht teruggaan naar huis en binnengaan zonder bedruktheid. Juist deze avond wist hij secuur, dat hij het huis onmogelijk kon blijven verdragen als hij zijn ogen niet met iets anders schoonwassen mocht.

‘Ik heb nog geen hoofdpijn, tante/ zei hij, ‘maar ik voel het aankomen. Mag ik misschien meteen weg, - ik wou een beetje gaan wandelen eer ik hoofdpijn krijg.’

‘Wat? opstaan onder tafel?’ vroeg mijnheer Godschalk, en zag op van zijn kotelet.

‘Alstublieft!’ zei Henri.

‘Geen denken aan. Wat zijn dat voor manieren? Men staat niet op midden onder het eten. En je moet je niet altijd inbeelden dat je hoofdpijn krijgt, dan heb je de meeste kans om er vrij van te blijven.’

Henri zei niets, alleen knepen zijn ogen wat verder dicht. Even hoorde hij een klein kreunend geluid, - kwam het van tante Julie? het was meteen weer weg. Nu legde mijnheer Godschalk zijn mes en vork naast het lege kalfsbotje en schoof het bord een centimeter van zich af, dadelijk drukte de vinger van tante Julie het belknopje neer.

Terwijl werd gewacht tot Doortje rond zou gaan met de vla werd geen woord gesproken. Henri bedankte maar mijnheer Godschalk nam zich een flinke portie en ook Julie, tactvol, garneerde haar kristallen bordje met een lepel van het nagerecht.

De dessertlepels tikten korte heldere tikjes tegen de geslepen schoteltjes. Henri luisterde afwezig, hij hield zijn ogen gevestigd op het midden van de witgedekte tafel waar donkerpaarse violen stonden geschikt in een zilveren jardinière. De grote, donkerfluwelen violen, op helgroene stelen vol levend sap, zagen eruit of ze zeer geurig moesten zijn, maar hij rook niets anders dan de braadlucht van de karbonaden en de vanille van de citroenvla, de violengeur kon daar zeker niet overheen. Toen hield het lepelgetik even op, hij keek naar zijn vader maar zag dat die zich nu voor de tweede maal ging bedienen uit de vlaschaal en opnieuw zochten zijn ogen het sombere maar weldoende rouwpaars der violen. Het was het enige waaraan hij zich nu hier vasthouden kon als hij niet wilde ver

163

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.