‘O neen,’ zei Henri verschrikt, ‘ik geloof dat ik er ook nooit verstand van kan krijgen, ik zou niet weten wat schilderijen moeten kosten. Als ik op een tentoonstelling loop of in het Rijksmuseum, gebeuren er altijd gekke dingen met me, - soms hangt er in een hoek een klein dingetje waar niemand naar kijkt en dat vind ik dan net het mooiste van de hele zaal.’
‘Ja, maar zoiets kan men leren, men kan toch leren wat het publiek wil en wat het betalen kan, daarvoor moet je juist in een grote zaak wezen. Maar als jij geen einddiploma hebt van het een of ander, vind ik in Duitsland zeker niemand die je hebben wil.’ ‘Pa,’ zei Henri en zijn hart klopte hoog in zijn keel, ‘zou ik niet naar de Academie kunnen? U zegt zelf “een diploma van het een of ander”, dan kan ik toch net zo goed een diploma van de Academie halen!’
Plotseling stond mijnheer Godschalk op zijn voeten. ‘De Academie? ben je krankzinnig? Wat heeft een zakenman op de Academie te maken? Dacht jij dat je Rembrandt was? Wil jij later soms olieverfschilderijtjes maken voor Roeg in de Vijzelstraat, tien gulden per stuk met de lijst?’
Mijnheer Godschalk slikte een paar maal, vlug na elkaar, Henri zag zijn adamsappel bewegen, het was naar hoe mager zijn vaders hals al was. Hij voelde zich leeg en koud, en begreep niet hoe hij zo wildweg iets had kunnen zeggen waaraan hij tot dusver nog niet eens had gedacht. Het bloed liep langzaam weg uit zijn hart. Toen streek mijnheer Godschalk met twee handen langs zijn achterhoofd, naar beide zijden streek hij zijn gescheiden haar glad, daarna nam hij zijn lorgnet af en dreigde er nadrukkelijk mee in de ruimte. ‘Henri’, zei hij, ‘nu eens en voor al, - daar komt niets van in, daar denk ik niet aan, geen ogenblik! En als je niet door je herexamen komt, verbied ik je het hele tekenen.’
De jongen was ineengekrompen. ‘Och,’ zei hij witjes, ‘ik zei dat zo maar. Ik begrijp zelf niet hoe ik heb gedurfd.’
Die middag aan tafel vroeg tante Julie of hij hoofdpijn had. Ze kende zijn hoofdpijngezicht, het had een vale tint die groenwit werd als de migraine verergerde. Zijn lippen klemde hij dan tegen elkaar, alsof hij de pijn binnen in zichzelf bewaarde om er niemand mee te hinderen.
Maar zo erg was het nu nog niet. Henri had alleen een ellendig gevoel van tegenzin, omdat zijn vader te lang het beentje van een kalfskotelet afschraapte en hij op het buffet de schaal met de ci-troenvla zag staan, die ook nog moest worden rondgediend en gegeten. Hij had zich voorgesteld, dat hij de lange zomeravond zou
162