Henri van de overkant

Titel
Henri van de overkant

Jaar
1936

Druk
1963

Overig
5ed 1963

Pagina's
255



‘De Ballerois van de krant?’ vroeg mijnheer Godschalk. Henri knikte.

‘Ballerois heeft groot gelijk,’ zei mijnheer Godschalk en bekeek met gefronste wenkbrauwen de acht voor staathuishoudkunde. ‘Algemeen kiesrecht! een mooie vertoning. Dan mag ik gelijk met de putjesschepper gaan stemmen. Enfin, dat komt er nooit door, - zo gek krijgen de rooien ons hier nog niet. Hoe heet die leraar?’ ‘Stigter,’ zei Henri, ‘het is heus een aardige vent, hij draagt altijd zo’n lollige strikdas. Maar het is toch geen echte rooie, niet zoals de vader van Mark Zadoks bijvoorbeeld.’

‘Dat moest er ook nog bijkomen, dat ze een van die oproermakers een gemeentebetrekking gaven. Maar wat weet jij van Zadoks af?' ‘Mark Zadoks zit in mijn klas,’ zei Henri, ‘hij haalt me immers wel eens af.’ Hij keek over zijn vaders hoofd heen, hij hoefde niet te vertellen, dat hij al een jaar lang iedere dag met Mark naar huis liep.

‘Je pakt het toch raar aan,’ klaagde mijnheer Godschalk hoofdschuddend, ‘nu heb je die Fonseca in de klas wat een keurige jongen moet zijn, die heb je nog nooit mee naar huis gebracht. Maar door de zoon van Wolf Zadoks laat je je afhalen.’ Hij zuchtte: ‘Enfin, daar hebben we het nu niet over. De hoofdzaak is maar: hoe moet jij je eindexamen halen als het zo doorgaat?

Henri zweeg lusteloos, zijn wenkbrauwen trokken omhoog, hij wiebelde een beetje van de ene voet op de andere. Maar opeens stond hij recht, - door het venster zag hij op de binnenplaats een kat, die loerend aansloop achter een dikke grijze mus. Met een sprong was hij bij het raam en bonsde op de ruiten, de mus vloog op. Verschrikt keek Maurice Godschalk om. ‘Godallemachtig wat heb je toch, - geen ogenblik kan men met je praten! En dat draagt een lange broek! Zeventien jaar ben je, heb je dan nog nooit nagedacht wat er verder met je moet gebeuren?’

Henri zag zijn vader aan en zag meteen, dat mijnheer Godschalk bezig was om oud te worden. Wat het was, kon men niet zeggen, maar alles was slapper aan hem en valer dan vroeger. Men moest eigenlijk meelij voelen, maar dat kon niet omdat hij zo ontevreden keek. Haastig zei de jongen: ‘U hebt toch al zo vaak gezegd wat er gebeuren moet. Ik moet immers in de zaak komen!’

‘Ja, natuurlijk!’ zei mijnheer Godschalk maar tegelijk en voor het eerst hoorde hij dat dit ‘natuurlijk’ voorbarig was, en ging hij expliceren. ‘Ik wou je bij Cassierer zien te krijgen, in Berlijn. Je tekent immers een beetje, - dan zie je ook nog wat van schilderijen, - daar kun je later misschien iets aan hebben - ik heb ze nooit durven kopen omdat ik er geen verstand van had.’

161

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.