met een mooi blauwgrijs vel papier, werd er dringend aangeklopt. Het was een storend geluid en de jongen voelde zich weggeroepen van het werk, wat hinderlijk was. Eerst stond hij doodstil, maar toen er nog eens was geklopt, moest hij wel opendoen. Een bediende kwam zeggen, dat hij beneden moest komen in het privé-kantoor. Zijn vader zat in een van de lage fauteuils, die in het kantoor een modem-comfortabel hoekje schiepen, bestemd voor de goede cliënten. In zijn hand had hij het zo juist ontvangen biljet waarin de directeur van de Handelsschool hem meedeelde, dat zijn zoon niet zou worden bevorderd naar de vijfde klas, dan na afgelegd herexamen.
‘Alsjeblieft!’ zei mijnheer Godschalk en reikte het papiertje over. Maar Henri nam het niet aan. ‘Ik weet het al,’ zei hij. Mijnheer Godschalk legde het biljet voor zich op het ronde rooktafeltje, hij las het nog eens secuur over door zijn lorgnet. Henri keek neer op het hoofd van zijn vader, het haar was nog wel zwart maar om de kruin werd het doorzichtig, men zag duidelijk de witte huid erdoorheen. ‘De directeur had me al gewaarschuwd,’ verduidelijkte de jongen, ‘het is toch wel een geschikte vent.’
‘Ja, maar wat moet ik nu met je beginnen?’ vroeg mijnheer Godschalk.
Henri zag nog steeds neer op het rossigzwart van zijn vaders haren. Hij wist wel niet dat ze geverfd waren, maar hij zag voor het eerst dat de kleur iets onechts had. Dat gaf een naar gevoel, het gebeurde hem de laatste tijd wel vaker dat kleuren hem akelig of gelukkig maakten, ze raakten dan aan de kleine plek in het diepst van zijn hart, waar hij zich het meest voelde leven. Hij wist, dat die hartsdiepte voorgoed bij hem hoorde, hij had dit alles ook al een naam gegeven: ‘het leefgevoel’. Soms deed dat gevoel hem pijn, als het zich buiten hem stootte aan de mensen of de dingen, maar soms stroomde het zalig uit hem voort en deelde zich mee aan alles wat voor zijn ogen kwam.
Nu was het onplezierig geraakt door de rare rossigzwarte tint van zijn vaders gladgekamde haren. Hij draaide zich een halve slag af en liep om het tafeltje, zijn vingers trommelden zo maar wat tegen de rand.
‘Geef eens antwoord, Henri!’ zei mijnheer Godschalk.
‘Hoe bedoelt u?’ vroeg de jongen.
‘Wel allemachtig,’ barstte mijnheer Godschalk uit, ‘sta je weer te suffen? Ik vraag wat ik met je moet doen?’
De jongen haalde zijn schouders op. Hij was er al zolang aan gewend dat het op school niet lukte. Er was nu eenmaal niets aan te doen, men moest het maar op zijn beloop laten. De school duurde
159