beaux die zich bij haar wilden indringen. De zichtbaar egoïstische bedoelingen van al die gladgeborstelde, welgeschoren jongemannen met hun opgepunte snorretjes en blinkende tanden, waren haar van de aanvang af antipathiek geweest. Een enkele maal beklaagde ze zich zelfs bij Maurice Godschalk over het gehalte der aanbidders uit zijn kring, - zoons en jongere firmanten uit andere gevestigde antiquairshuizen en enige estheten uit de gezeten Amsterdamse burgerij, waar men zich bij het begin der twintigste eeuw weer ging inrichten in antieke interieurs, uit protest tegen de Sezession, Penaat en Berlage. ‘Mon Dieu qu’ils sons embêtants,’ zei ze. ‘Dan presenteerden zich in de Folies toch charmanter en interessanter mensen, - en die wilden tenminste nog weten waarvoor ze kwamen, - maar hier! - ze staan te buigen, en te converseren over oud-blauw en Chippendale maar intussen proberen ze in mijn corsage te kijken. Ils sont vraiment dégoutants, tes Hollandais.’
Maar Maurice Godschalk was zozeer geneigd te wantrouwen, dat hij dadelijk achter haar woorden zocht naar de aantrekking tot een enkele Hollandais die zij ermee trachtte te verbergen. Het angstig wantrouwen begeleidde voorgoed al zijn affecties.
Het begeleidde ook de diepe affectie voor zijn zoon. Natuurlijk op gans andere wijze en niet in dezelfde mate. Maar hij wantrouwde de capaciteiten van de jongen, juist omdat hij in het geheim zo gloeiend verlangde hem te zien slagen. Het was zijn meest dwingend toekomstverlangen, nu zijn hoop en zijn plannen voor het leven met Julie waren mislukt. En dus waakte en zorgde hij voor de jongen, tot die, benauwd en opgejaagd door zijn vaders angstige, bedillende oplettendheid, zich steeds verder terugtrok van de mensen en de dingen om hem heen.
Als Henri nu thuiskwam uit school of van een wandeling, liep hij niet meer de huiskamer of de keuken binnen om een huiselijk gezicht te ontmoeten dat hem verwelkomde. Hij klom voorzichtig de trappen op naar zijn eigen kamertje en gooide eerst daar zijn tas en zijn kleren af. Ook als hij onder tafel het vitterig opvoedingswerk van zijn vader had ondergaan, was dat kamertje zijn veilige haven, waar hij met een zucht van opluchting de sleutel achter zich kon omdraaien en de rest van het huis buitensluiten. Het was een overbodige daad, dat sluiten, want de jongen wist dat zijn vader niet zonder dringende reden de drie trappen naar deze bovenverdieping zou beklimmen, maar als hij de sleutel in het slot hoorde springen, glimlachte hij van voldoening.
Op een morgen in juli, na het overgangsexamen voor de vijfde klas, toen Henri heerlijk achter de gesloten deur het tekenbord belegde
158