Henri benijdde Mark Zadoks, die zo precies wist wat er gebeuren moest en wat hijzelf te doen had in de wereld, maar het meest benijdde hij hem omdat hij trots kon zijn op zijn vader. Het was Henri met de jaren telkens een beetje duidelijker geworden, dat hijzelf geen bijzondere reden had om trots op zijn vader te zijn. Dat was wel jammer. De meeste jongens op school spraken graag over hun vaders, zij beriepen zich ook op hen bij twistpunten: ‘mijn vader heeft het zelf gezegd’. Maar het kwam nooit in Henri op, dat zijn vaders woorden gewicht in de schaal konden leggen, eigenlijk deed zijn vader nooit uitspraken, waar men wat aan had. Hij gaf nooit een echte reden. Hoogstens zei hij ‘Dat hoort zo niet’, of ‘Dat doet men niet’, en een enkele maal ging hij uitleggen waarom men van de ene handelwijze meer voordeel kon verwachten dan van de andere. Dat was alles. Hij gaf nooit een raad of vermaning waarbij men binnen in een blij hart ‘ja’ kon zeggen. Henri begreep nooit precies waarom zijn vader de dingen zei of deed.
Dat was moeilijk en het werd steeds moeilijker omdat mijnheer Godschalk ieder jaar meer notitie nam van Henri’s doen en laten. Zo weinig als hij in den beginne, na zijn tweede huwelijk, had omgezien naar de zoon uit het eerste, zo hardnekkig bemoeide hij zich nu met alles wat de jongen aanging. Aan de eetkamertafel waar men langdurig bijeenzat tot mijnheer Godschalk ieder gerecht met de juiste aandacht had behandeld, werd weinig geconverseerd, maar wel wees mijnheer Godschalk gedurig zijn zoon terecht als die zijn vork en mes niet op de vereiste beschaafde wijze hanteerde of als hij verzuimde om beleefd de schotel te reiken aan wie zich daarvan zou willen bedienen. Zodra zij zich samen in één vertrek bevonden, lette hij secuur op Henri’s houding en gedrag, totdat hij een op- of aanmerking kon maken, niet juist onaangenaam maar vaak pietluttig of bemoeiziek. Hij had dan de toon van een zorgelijk-verbeterende humeurige gouvernante en Henri hoorde het. Het was erger dan bij juffrouw Augusta.
Julie Godschalk zat erbij en keek toe. Ze had nooit veel gesproken in het huis en de laatste jaren waren haar woorden nog zeldzamer geworden. Haar bizar, driehoekig gezichtje was nog even fijnbe-lijnd als vroeger, maar de smalle dwarse streep van haar gesloten lippen maakte het ouder dan het was, - ouder dan tweeëntwintig jaar. Er was ook geen jeugd meer aan haar gebaren; de dolle overmoed waarmee ze in haar eerste huwelijksjaar de publieke opinie had uitgedaagd, was volkomen van haar afgevallen. Ze leefde nu in
155