had hij meegestaakt met de chips-slijpers en toen de bondsfabrie-kenstaking begon was er geen halfje meer in huis. Al de kinderen moesten natuurlijk helpen verdienen, ik ben iedere morgen met een melkkar van de veehouders meegelopen voor een gulden in de week, - maar toen de staking was gewonnen, is mijn vader naar huis gekomen, de tranen hebben hem over zijn wangen gelopen en hij heeft gezegd: “we hebben allemaal samen gewonnen, jongens, - onthou jullie nu je leven lang, je bent nooit te jong of te oud om mee te helpen.” Natuurlijk, dat is ook zo - als je maar proletarisch gevoel hebt!’
‘Wat is proletarisch gevoel?’ vroeg Henri.
Toen keek Mark Zadoks hem een ogenblik twijfelend aan, zijn woorden waren weg. Hij zuchtte, wiegde van de ene voet op de andere en zijn mondhoeken trokken omlaag.
‘Proletarisch gevoel? Weet ik het? Dat heb je of je hebt het niet, zegt vader. Maar van mezelf weet ik dat ik het heb, - en verdomd, - iedere dag weet ik het beter, hier tussen de rijkeluiszoontjes.’
‘Zou ik het ook hebben?’ vroeg Henri geïnteresseerd.
Mark keek hem aan, zijn blik gleed van boven naar beneden over hem heen, kwam toen weer terug en stak een ogenblik fel en diep in Henri’s ogen. Een toegeeflijk glimlachje liep om zijn mond, het leek gelukkig niet op het gewone verontschuldigende van de anderen, het was vriendelijk en appreciërend.
‘Neen,’ zei Mark, ‘hoe zou jij aan proletarisch gevoel moeten komen? Maar misschien zou je toch wel een socialist kunnen worden. Ik zal vader vragen of je niet eens bij hem mag komen praten.’
Even vond Henri het komiek dat Mark het blijkbaar een gunst achtte als zijn vader, die een klein armoedig boekwinkeltje hield, iemand te woord wilde staan. Maar toen voelde hij zich opeens echt jaloers, omdat Mark Zadoks zo trots was op zijn vader, - natuurlijk stond de oude Zadoks op allerlei verkiezingsbiljetten, maar dat alleen kon het niet wezen.
‘Is je vader zo knap?’ vroeg hij.
‘Knap? hoe bedoel je? of hij veel weet? Och nee, - dat doet er ook niet toe, - enfin ik zal wel vragen of je eens komen mag. ’t Is alleen lastig, dat je geen proletariër bent, - dan was ’t direct in orde.’
Toen galmde de schoolbel. Mark greep de riem van zijn zeildoeken boekenpakje en slingerde het de stoep op in de school.
154