tjes waren zoals hij ze zich altijd had voorgesteld.
Want Mark Zadoks geloofde met zijn hele zeventienjarige ziel aan de marxistische theorie der klassetegenstellingen, hem was ze geen theorie, ze was hem een even wereldfunderend dogma als het Eerste Gebod voor zijn voorouders was geweest. Natuurlijk had zijn scherp verstand tevoren het fiat moeten geven op de marxistische verklaring der maatschappelijke structuur en daarvoor had hij zich met verbeten wilskracht in een half jaar tijd door stapels lectuur moeten heenwerken. Maar nu zijn verstand toestemming had gegeven, liet hij zich heerlijk drijven op zijn geloof. Als hij des vrijdagsavonds, met zijn vingers in zijn oren en zijn ellebogen op het witte tafellaken (dat zijn moeder ondanks alles nog steeds met sabbat oplegde), onderdook in de socialistische werken uit zijn vaders winkelkast, klopte zijn hart met lange slagen, dan zwol het van geestdrift, dan leefde hij al in de toekomstmaatschappij die gesticht stond te worden, een wereld zonder rijke leeglopers maar vol van mannelijk werkende kameraden, een wereld waarin de ene mens de andere niet meer voor loon zou kunnen huren om winst uit hem te maken. En zonder op te zien van zijn boek, automatisch het vrij-dagavondlekkers grijpend van het schoteltje dat zijn moeder voor hem klaarzette, las hij zich weg van de dagelijkse dingen, van zijn moeders zorgen, van de hinderlijk-schoolse handelsstudie en het gemis van een winterjas.
Als hij op de gewone werk- en schooldagen door de stad liep, zag hij al hoe het later worden moest, hij bestemde de Nieuwe Kerk voor feestelijke arbeidersbijeenkomsten en het paleis voor volkshogeschool. Hij zag de grondwerkers en de heiers en de fabrieksmeisjes erop aan, dat zij deel uitmaakten van een nieuwe gemeenschap die zij zelf nog niet kenden. ‘Het wordt wel anders, wacht maar!’ beloofde hij de hooggehoede zakenheren die hij de Beurs zag binnengaan. Alles wat hij tegenkwam had twee aangezichten, een tijdelijk en onbevredigend tegenwoordig aspect en een glanzend veelbelovend toekomstig.
Op school echter zat hij vierkant en zwaar in zijn bank-alleen en trok zich terug in zijn supreme onverschilligheid voor leraren en leerlingen beide.
Alleen Henri zonderde hij daarvan uit. Tot op zekere hoogte hield hij zelfs wel van de tengere jongen met de diepe ogen, hij was er zelf verwonderd over. Als hij des morgens mijnheer Godschalks keurige stoep beklom en aanbelde om Henri af te halen, moest hij zijn manend proletarisch geweten wel eens sussen met de overweging, dat hij deze bourgeois-zoon ontrouw wilde maken aan de gehate kapitalistenklasse. In werkelijkheid werd hij, ondanks zichzelf,
152