alles voorbij. Hij had helemaal niets gevonden, er was niets te vinden achter die emailglanzige ogen van Fonseca.
En toen sloeg Fonseca zijn ogen neer en vroeg kleintjes: ‘Nou?’ Henri kon niets zeggen, er gebeurde te veel. De hele Fonseca werd opeens anders. Hij was nu niet mooi meer en niet bijzonder en hij had een puist op zijn kin.
Hij liet Fonseca’s arm los. ‘Ga maar door,* zei hij, ‘het komt er ook eigenlijk niet opaan. Veel plezier vanavond.’
Hij stond Fonseca na te kijken, die wegschoot, de Nieuwe Hoogstraat in. Hij was nu zelf ouder en wijzer dan Fonseca, vreemd dat hij dat zo zeker wist.
Sedert die dag liep hij meestal naar huis met Mark Zadoks, de zoon van de socialist waarop door iedereen werd gescholden.
Mark Zadoks was geen vriend, hij was geen jongen die alles vertelt van zichzelf en naar alles verlangt te luisteren wat een ander van zich vertellen moet. Maar hij was toch iemand die precies zei wat hij dacht, al dacht hij dan niet over de gewone, persoonlijke dingen die Henri het liefst met iemand had besproken. Mark Zadoks praatte over toestanden en gebeurtenissen in de wereld, in het land of de stad en haast nooit over mensen. Als ze ’s maandagsochtends een paar agenten tegenkwamen die hardhandig een dronkeman opbrachten, liep Mark Zadoks zich wel een paar straten ver hardop daarover te ergeren: ‘zie je wel, zo’n vent bezuipt zich nog liever dan hij weer aan ’t werk gaat, - ’n kunst! zou jouw vader zin hebben ’s maandags om zes uur naar de kaai te gaan als-ie zaterdagsavonds met negen hele guldens naar huis was gekomen?’ - En zo ging hij dan voort, Mark wist al alles van het Amsterdamse arbeidersleven, hij sprak over boeten en pestwerk en over de letterzetters die de tering kregen door hun beroep en vooral over de diamantbewerkers, die nu eindelijk een vakbond hadden gesticht en de klassenstrijd voerden. - Maar op zo’n ogenblik kon Henri zelf dan niet best luisteren, hij bleef altijd even een beetje beverig en misselijk, als de forse, goedgeklede agenten, die zo stevig op hun benen stonden, het niet konden laten om een bedronken wrak van een werkman nog in zijn rug te stompen als hij niet vlug genoeg meekwam.
Maar gewoonlijk luisterde Henri toch wel graag naar Mark Zadoks, want alles wat hij zei klonk echt, men wist door zijn stem dat het menens was en dat hij niet verlangde zichzelf te horen kletsen. Het kwam ook wel doordat Mark nooit een mening verkondigde alsof
150