Henri van de overkant

Titel
Henri van de overkant

Jaar
1936

Druk
1963

Overig
5ed 1963

Pagina's
255



grin, dat verlegen begon te worden. ‘Nou, wat is er met Carré?’ vroeg hij.

‘Niks, - nou ja, - ga jij dan niet mee?’

‘Met wie?’ vroeg Henri.

‘Och verdraaid,’ zei Pellegrin, ‘met Fonseca natuurlijk. Hij is toch jarig, ik dacht zeker dat hij je mee had gevraagd. Jullie lopen toch iedere dag samen naar huis!’

‘Nee,’ zei Henri met een lamme tong, ‘ik weet van niets.’ Toen bukte hij zich onder zijn lessenaar naar het natuurkundeboek en zocht naar de bladzij die open moest liggen. Hij was nog aan het zoeken, toen de leraar binnenkwam.

Hij hoorde niets van de les, het hele uur niet. Maar hij zat ook niet te denken over Fonseca en Carré. Hij was alleen maar erg suf en koud en achter zijn voorhoofd zat iets dat wel pijn zou gaan doen. Toen hij een beurt kreeg, wist hij geen enkel antwoord en werd de leraar boos, omdat hij zich niet eens geneerde dat hij niets wist. Om twaalf uur liep hij al naast Teixeira en De Vita eer hij wist wat hij deed. Toen bleef hij maar doorlopen. Fonseca kwam aan zijn andere kant. Hij vroeg niets en geen van de andere jongens sprak een enkel woord over een verjaardag of over Carré. Dat was wel erg vreemd, als ze toch ’s avonds samen uit zouden gaan, -even werd Henri’s hart weer warm, - misschien was er wel helemaal niets en had hij Pellegrin verkeerd begrepen.

Op de Dam gingen ze uit elkaar. Toen Henri nog even omkeek, zag hij juist hoe Fonseca over zijn schouder een knipoogje gaf naar Teixeira.

Toen werd hij koud tot midden in zijn hart, en zo verdrietig, dat niets hem meer kon schelen, ook niet wat Fonseca van hem zou denken. Toen Fonseca weer gewoon naast hem liep en sprak over de schooldingen, luisterde hij niet eens, maar op de brug van de Kloveniersburgwal, hield hij hem vast aan zijn arm en vroeg: ‘Heb je zó erg het mier aan me?’

‘Bè-je bedonderd?’ zei Fonseca, ‘wat heb jij?’

‘Niks,’ zei Henri, ‘ik dacht alleen dat je me gewoon vond, niet anders dan de anderen, - daarom ben ik ook maar altijd gewoon met je opgelopen. Nu zal ik het natuurlijk niet meer doen.’

‘Stik,’ zei Fonseca, ‘wat heb je toch?’ Voor het eerst keek hij recht in Henri’s ogen, hij zag er boos uit en verlegen. Maar hij keek tenminste. Toen hij even had gekeken, veranderde zijn gezicht, de boosheid trok weg, maar het was of hij nog meer verlegen werd. Henri voelde ondanks alles een schok omdat hij nu eindelijk de echte Fonseca zou ontmoeten. Zijn blik drong naar binnen in Fon-seca’s ogen, - zocht daar een ondeelbaar ogenblik, - toen was

149

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.