had hij met zo’n onwaarschijnlijk sierlijke zwaai zijn pet voor haar afgenomen, dat ze het wel raar moest vinden. Ze was ook niet meer stil blijven staan en Henri had pas haastig zijn hand kunnen opsteken toen ze al voorbij was. Hij vond het niet prettig, dat Fonseca zo raar deftig groette, het was te duidelijk dat hij Mietje voor de gek hield, zo groette men niet naar een klein dienstmeisje. Maar de volgende maal, toen Mietje spinnijdig haar tong uitstak tegen Fonseca, werd hij weer boos op haar, omdat ze zijn vriend, die naast hem liep, op straat beledigde.
Daarna had hij helemaal Fonseca’s partij gekozen. Als ze haar nu zagen aankomen, grepen ze al uit de verte naar hun pet en salueerden zo opzichtig beleefd, dat de voorbijgangers erom moesten lachen. Diep in zichzelf vond Henri zich dan wel gemeen, maar toch liep hij van buiten opgewonden lollig voort naast de glimlachende Fonseca.
Totdat hij in zijn derde schooljaar opeens was losgeraakt van Fonseca.
Het gebeurde gewoon op school, op een woensdagmorgen in het na-tuurkundelokaal terwijl ze zaten te wachten op de leraar. Pellegrin, die in de rij boven hem zat, boog zich voorover over zijn lessenaar en zei: ‘Lollig hè? vanavond.’
‘Wat is lollig?’ vroeg Henri.
‘Nou Carré natuurlijk. Hij heeft drie loges afgehuurd/
‘Wat is er met Carré?’ vroeg Henri. Hij keek geïnteresseerd omhoog want hij hield veel van Carré waar hij tot dusver iedere winter een keer heen had mogen gaan, eerst met juffrouw Augusta maar de laatste tijd alleen. Tegenwoordig vond hij de clowns niet meer zo leuk, maar de paarden waren nog altijd meer dan prachtig. Natuurlijk niet op het eind van de voorstelling, als ze al moe waren en zenuwachtig trillend in een rij op hun achterpoten stonden terwijl Oscar Carré zijn lange zweep voor hun neuzen zwaaide. Maar wel als ze sierlijk ronddraafden onder een heerachtige pikeur of hun fijne poten optilden en neerzetten op de maat van walsmuziek. En als Katchen Carré met de wuivende sluier op haar amazone-hoed, rondgaloppeerde op haar hoog wit paard, was dat een schilderij dat alleen nog maar geschilderd hoefde te worden.
Het hele Carré met de roodfluwelen loges, de wijde rijen gezichten van mensen en kinderen, het vele licht, de koperen muziek en het doordringende paardenluchtje, vond hij fijn, en als het niet veel te hoog en te licht en te groot was geweest voor een vel papier, had hij het zeker willen tekenen. De clowns en de paarden had hij natuurlijk al vaak op papier gezet.
Hij keek dus vol belangstelling omhoog in het gezicht van Pelle-
148