voor zijn zakgeld. Hij had dat toen wel erg prettig gevonden, zo rustig en genoeglijk. Mietje praatte dan met gewone, verstandige woordjes over haar thuis en over de buren en over alles wat ze samen tegenkwamen op die buitenwegen: - landlopers en hengelaars en koeien en de eenden in de sloot. Ze wist overal de echte, gewone dingen van te vertellen en hij liep ernaast en luisterde. Hij mocht in het gras gaan zitten wanneer hij wilde en net zolang tekenen in zijn schetsboekje als nodig was. En als hij zin had, mocht hij zijn arm om haar heen slaan en haar een zoen geven.
Maar eind juli toen ze van school kwam, moest ze in een dienst-je en hij werd meegenomen naar Scheveningen. Daarna was er nooit meer iets van wandelen gekomen hoewel ze hadden afgesproken dat ze in het najaar nog wel eens op zondag samen zouden uitgaan. Het was vanzelf afgelopen geweest, voornamelijk doordat Henri ’s zondagsmorgens moest leren voor zijn barmitswe en tante Julie dat eerste jaar iedere zondagmiddag nieuwe plannen had bedacht.
Wel was Mietje de eerste tijd nog naar hem toegekomen als ze elkaar ontmoetten in de buurt. Maar sinds hij met Fonseca ging, liep ze hem voorbij, - eerst groette ze nog maar later draaide ze de jongens haar rug toe, - daar had ze ook eigenlijk wel reden voor. Het was een beetje raar gegaan met Mietje en Fonseca. Natuurlijk kon men dadelijk zien, dat Mietje geen deftig meisje was. Ze droeg een vaalblauw manteltje dat te kort was en grove zwarte rijgschoenen. Ze had nog geen lange rokken en ook de dansende krulletjes op haar voorhoofd waren er nog, maar haar haren waren toch al opgestoken in een toetje. Toen Henri had gevraagd, waarom ze dat nu al deed, had ze gezegd dat haar mevrouw het wilde. Men kon duidelijk zien dat ze eigenlijk een daghitje was, de witte punt van haar schortje kwam onder het manteltje uit. Maar dat alles was Henri nooit zo opgevallen eer hij naast Fonseca liep, daarna echter hinderde het hem hoe langer hoe meer.
De eerste maal dat ze haar samen tegenkwamen, was ze nog op Henri toegestapt en had gepraat en iets grappigs gezegd. Fonseca had erg opgewekt tegen haar gelachen met al zijn witte tanden, maar toen ze weg was, had hij gevraagd: ‘Wat is dat voor een meid?’
Henri had dat een naar woord gevonden. ‘Waarom zeg je nou ‘meid’? - het is gewoon een vriendinnetje van me, ik ken haar al lang. Ze woont bij ons aan de overkant.’
‘Nou jij bent me een mooi heer,’ had Fonseca toen gezegd en had voor de eerste maal werkelijk geïnteresseerd de jongen naast zich bekeken. Maar de volgende maal dat ze het meisje ontmoetten,
147