Henri van de overkant

Titel
Henri van de overkant

Jaar
1936

Druk
1963

Overig
5ed 1963

Pagina's
255



zicht, Fonseca was altijd vriendelijk met iedereen, maar hij had nog nooit echt in zijn ogen laten kijken.

Het vriendelijk-afwezige lachje waarmee Fonseca naast hem liep, was in die tijd het raadsel van Henri’s bestaan. Hij dacht dat hij zichzelf veel beter zou kunnen begrijpen als Fonseca zijn vriend wilde worden en hem uitleggen wat hij van hem dacht. Maar Fonseca was geen vriend, zolang hij zijn ogen weghield.

Na een nacht waarin hij heerlijk had gedroomd, dat hij, arm in arm met Fonseca, stond te kijken naar een wijd, rimpelend water, werd hij zo tevreden wakker, dat hij er een hele morgen gelukkig van bleef en bij het uitgaan van de school opeens naast de levende, echte Fonseca ging lopen. Teixeira en De Vita kwamen aan diens andere kant. Het viel die eerste keer niet mee. De drie jongens hadden het over allerlei waarover hij niet mee kon praten, over mensen, vooral meisjes, die zij samen kenden maar hij niet, en over een bijzondere dienst in hun synagoge, die De Vita had mogen bijwonen met zijn vader die kerkbestuurder was. Daarover kon Henri natuurlijk ook niet meepraten, het gekste was, dat hij het gesprek niet eens volgen kon, ze gebruikten zoveel Spaanse uitdrukkingen en de Hebreeuwse woorden spraken ze ook anders uit. Hij voelde zich een beetje ernaast bungelen. Toen De Vita en Teixeira aan de Dam op de tram stapten, stak Fonseca ten afscheid een vrolijk wuivende arm omhoog, maar Henri die ook wuifde, merkte zelf hoe gek hij deed.

Toch gaf Henri nog niet op, iedere morgen en iedere middag sloot hij zich nu aan bij de drie Portugese vrienden. Hij wist wel, dat hij alleen maar verdragen werd, en toch gaf het hem een blij gevoel, dat de klas hem nu altijd met Fonseca zag weggaan, vooral genoot hij van de enkele minuten waarin hij, voorbij de Dam, Fonseca voor zich alleen had en zijn stap naar diens stappen kon regelen. Hij trok er zich niet eens iets van aan, dat hij Mark Zadoks iedere dag altijd opnieuw zag alleenlopen, de hele weg die hij zelf ook had te gaan. Hij vond het wel naar voor Mark dat die zo’n akelig leven had in de klas, maar hij kon zich daar toch niet mee bemoeien. Alles in hem richtte zich naar Fonseca als bloemen naar de zon. Zelfs Mietje van de overkant verraadde hij om Fonseca.

Hij voelde zich al lang niet meer het vriendje van Mietje. Wel zag hij haar nog dikwijls want ze had een dagdienstje op het Rokin en kwam er tegen vieren vandaan. Maar hij maakte nu nooit meer afspraakjes met haar, zoals hij had gedaan in de zomer na de Artis-dag. Toen ging er haast geen week voorbij of ze wandelden samen, aan de overzij van het IJ of in de Meer waar ze heen tramden

146

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.