de drie jongens aangelopen, zelfs had hij op de Dam niet meer naar Fonseca durven toegaan. Wel had hij prettig lopen kijken hoe mooi Fonseca zijn voeten neerzette. Hoewel de straten tussen de keien vol modderplassen lagen, had Fonseca er lenig tussendoor gelopen alsof hij maar een beetje danste, zijn schoenen waren heel niet bespat. Henri’s eigen schoenen waren dik en bruin bemodderd geweest, - hij liep ook wel erg slecht, de dokter zei dat het kwam omdat hij platvoeten had.
Zo was het wel een half jaar gebleven. Als hij nu aan die tijd in de eerste klas terugdacht, was alles vol van Fonseca. Iedere morgen als hij van huis ging, wachtte hij met spanning of Fonseca misschien ook juist uit de Hoogstraat zou komen, een enkele maal gebeurde dat, - en heel diep van binnen bewaarde hij zelfs een kleine onzinnige hoop, dat op een goede morgen Fonseca de stoep zou opkomen en aanbellen om hem af te halen. Natuurlijk was dat nooit gebeurd. Maar toch waren ze zo nu en dan samen opgelopen, soms durfde hij ook op de Dam naar Fonseca toegaan, maar meestal niet.
Totdat hij zich, in de tweede klas een beetje moediger voelde worden, het deed hem zelf plezier. Het kwam zeker omdat hij nu in een groot mens ging veranderen, hij had al de baard in de keel en thuis behandelde tante Julie hem ook of hij dichterbij kwam. Hij mocht nu zichzelf gewoon bedienen uit de schalen en de hele krant lezen. Hij was bezig volwassen te worden en had dat ook gemerkt aan allerlei lichamelijke dingen, waarvan Dorus Steeman hem indertijd had verteld en die nu werkelijk met hem gebeurden. Het was allemaal vrij merkwaardig en het overkwam hem in deze tijd meermalen, dat hij urenlang in een makkelijke stoel kon zitten nietsdoen, terwijl hij voelde hoe ver zijn benen al buiten de zitting uitstaken. Zijn vrije tijd, die hij vroeger helemaal gebruikte om te tekenen, liep hem nu zo nonchalant door de vingers, dat hij er soms zelf verwonderd over was, - zomaar stilletjes over de dingen zitten nadenken, vond hij eigenlijk even prettig.
Soms mengde hij zich nu ook in de gesprekken van de mensen thuis. Tante Julie bijvoorbeeld, luisterde al met meer aandacht als hij aan tafel iets vertellen wilde. Nu was het dus best mogelijk dat langzamerhand ook andere mensen naar hem zouden gaan luisteren en dan misschien wel zonder het half meelijdend lachje, dat hij van jongsaf op de meeste gezichten had ontmoet. Als hij dat lachje zag, kon hij nooit goed zijn woorden vinden, het was maar gelukkig, dat Fonseca niet zo keek.
Maar Fonseca keek hem toch ook niet aan zoals hij graag had gewild, Fonseca keek over hem heen. Wel met een vriendelijk ge
145