Henri van de overkant

Titel
Henri van de overkant

Jaar
1936

Druk
1963

Overig
5ed 1963

Pagina's
255



cies als een sprookje om hem heen, het grote huis aan de Nieuwe Keizersgracht, waar nu al tweehonderd jaar Fonseca’s hadden gewoond, zijn mooie deftige moeder met het vroegwitte haar boven haar zwarte gitogen en zijn vader, mager, spits en slank, als een vreemde, donkere tovenaar die nooit hoeft te werken omdat hij de beschikking heeft over een onbekende schat. Inderdaad had Mr. Fonseca de tijd om zich bezig te houden met allerlei aardige dingen waarvoor men veel geld nodig heeft. Altijd als er toneeljubilea werden gevierd, of kunsttentoonstellingen georganiseerd, stond de naam van Fonseca’s vader in de krant. Als mijnheer Godschalk een dergelijk bericht vond in zijn dagblad, bewaarde hij het nummer voor Henri, zelf vond hij het haast ook gewichtig dat zijn zoon in één klas zat met de zoon van Mr. Fonseca. Hij had al eens langs zijn neus weg gevraagd: ‘Wat is die Fonseca voor een jongen? Breng hem eens mee naar huis.’ Maar Henri had alleen een beetje pijnlijk zijn wenkbrauwen gefronst en niets gezegd.

Dat kwam omdat Henri al te veel verdriet had gehad om Fonseca. Van de eerste dag af, was de sierlijke, geestige klasgenoot een heel apart stuk wereld voor hem geworden, onbekend maar stralend in de grauwe eentonigheid van de eenvormige schoolomgeving. En na korte tijd hield hij van Fonseca meer dan van iets anders, zoveel dat hij voor de eerste keer van zijn leven echt zijn best ging doen om vrienden te worden. Hij was haast dagelijks achter Fonseca aangegaan als die met zijn twee vrienden, Teixeira en De Vita uit school kwam. Tot aan de Dam liepen ze samen, dan namen de beide anderen de tram naar de Sarphatistraat en Fonseca ging alleen verder door de Damstraten en de Jodenbuurt naar huis. Henri had hem de eerste maal op de Vijgendam aangeschoten, zijn hart had geklopt tot hoog in zijn keel, maar er was niets bijzonders gebeurd, het was alleen heel heerlijk geweest om samen met Fonseca door de bekende straten te lopen tot aan huis.

‘Daar woon ik,’ had Henri gezegd, toen ze op de brug van de Kloveniersburgwal liepen, en had gewezen naar de vergulde letters van ANTIQUITÉS. ‘Zo?’ had Fonseca gezegd, ‘ik wist niet dat jullie een winkel hadden.’ Henri had er niet eens aan gedacht om uit te leggen, dat zijn vader geen echte winkel had maar een bekend magazijn van antiquiteiten. ‘Ja,’ had hij gezegd, ‘mijn vader handelt in antiek, hij heeft soms heel mooi goed in huis,’ - aldus mijnheer Godschalks mededelingen aan de huiskamertafel imiterend. Fonseca had even naar het huis gekeken, toen luchtig geknikt en was meteen verdergelopen, de Hoogstraat in.

De volgende dag had Henri goed opgelet, maar Fonseca had voor school niet naar hem uitgekeken en zo had hij maar weer achter

144

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.