digst gezicht gevonden, maar toen de slee onder luidruchtig plezier van de jongens was weggetingeld, had hij heel vermoeiend in zijn eentje door de hoge sneeuw naar huis gewaad.
Alleen één jongen was er in de klas waarmee hij de laatste tijd wel eens dezelfde weg uitging. Het was ook een jood, Mark Zadoks. Zijn vader had een boekwinkel in de Muiderstraat en was een bekend socialist. Mark was ongelooflijk knap, maar volgens de klas kon men niet met hem omgaan omdat hij te slechte manieren had. Henri had zich de eerste paar jaar ook niet met hem bemoeid, want het hinderde hem toch te veel, dat Mark zich ongegeneerd krabde op allerlei plaatsen en apenootjes kraakte in zijn broekzak. Later viel hij toch wel mee, vooral als men met hem praatte, hij vloekte niet eens, wat haast alle anderen wel deden, en vertelde ook geen schuine moppen. Maar het duurde toch bijna drie jaar, voor Henri merkte, dat hij meer was, dan de meeste andere jongens en dat kwam door Fonseca.
Fonseca was ook een jood, maar een ‘Portugees’ zoals dat heette. Er gingen op school nog meer jongens uit de deftige sephardisch joodse families met mooie namen, waar men eigenlijk nog van oude Spaanse adel was en ongelooflijk trots op zijn afkomst. De vaders waren bankiers en advocaten, in ieder geval iets waarvoor men rijk of knap moest zijn. Er waren heel begaafde jongens onder, deze Fonseca bijvoorbeeld, die nu al, op zijn zestiende jaar, zo prachtig vioolspeelde, dat de hele klas en de leraren ervan wisten. Hij zou misschien ook wel voor violist worden opgeleid, op school werkte hij nog maar slapjes mee en toch was hij knap. Henri bewonderde hem mateloos. Soms in de les, moest hij opeens naar hem kijken en zich voorstellen hoe hij er uit zou zien in een rid-derkostuum zoals zijn voorouders hadden gedragen. Maar ook in zijn gewoon blauw pak vond Henri hem mooier dan iemand anders, met zijn langwerpig olijfbruin gezicht, zijn smalle neus en de grote lichtbruine ogen waarvan het wit emailblauw spiegelde. Als Fonseca in het voorbijgaan wel eens wat tegen hem zei, kreeg hij een kleur als een meisje. Maar hij zei weinig terug, want hij wist dat Fonseca toch niet om hem gaf.
De eerste twee schooljaren was Henri helemaal vervuld geweest van deze Fonseca. Er was iets sprookjesachtigs aan de jongen en zijn begaafdheid, men kon duidelijk zien, dat hij iets cadeau had gekregen, dadelijk al, waarvoor anderen eerst hard moeten werken. Net als in de oude legenden hield iedereen van hem, zonder dat hij er iets voor hoefde te doen, en met zijn viool was het net zo; zijn vrienden vertelden dat hij in één jaar evenveel opschoot ais een ander, die er hard voor studeerde, in vier. En alles was ook pre
143