bij de mensen in de kamers. Toen hem dat een keer was ingevallen, hield hij gauw zijn hoofd weer omlaag, hij voelde het duizelig worden.
De Westertoren had geen last van duizeligheid, dat was zeker. Hij stond rechtop, een oude statige grootvader van Amsterdam. Recht en hoog verhief hij zich op de mooie vierkante kerk, waarvan alle kozijnen even blinkendwit glommen als de witgesteven boord van een bejaard, deftig heer en zijn klokkeklanken kwamen van veel hoger dan van enige andere toren in de stad.
Henri had nu al lang het loopje naar de Raamgracht uit zijn benen verloren, - alleen één enkele keer in het eerste jaar hadden ze hem weer een halve gracht ver naar Meulmans teruggebracht. Toch was de Handelsschool nooit de echte school voor hem geworden, hij had, nog veel meer dan bij Meulmans, het gevoel, dat hij allerlei dingen moest leren waar hij toch niets aan had. Ook de jongens stonden veel verderaf, het was eigenlijk gek dat hijzelf een jongen van de Handelsschool was. Ze kleedden zich al heerachtig in deze derde klas en praatten met de besliste stemmen van hun vaders over politiek. Als er een verkiezing was hadden ze het druk over de kansen van ‘Burgerplicht’ en de ‘Liberale Unie’, want er waren altijd wel een paar kandidaten wier zoons op de Handelsschool gingen. Ook kon men in de klas duidelijk merken wie later in de grote handelsbedrijven een rol zouden spelen. Zelfs de leraren deden anders tegen de jongens met grote Amsterdamse namen, sommigen deden extra-grof en anderen hadden al respect. Maar niets van dit alles interesseerde Henri genoeg om hem te betrekken in het leven van de school of de klas, hij kwam en ging en zei maar weinig. Er waren hele groepen waarmee hij nooit een woord had te wisselen en die ook langs hem heenliepen, de zoons van de grote handelslui en de reders, de assuradeurs en de scheepsbouwers. Velen hadden Franse namen omdat hun voorvaders réfugiés waren geweest en allen kenden ze elkaar, niet alleen van school maar ook van danslessen en partijtjes en de enkele deftige voetbalclubs. Ze woonden aan de Heren- en Keizersgracht en sommigen hadden gouverneurs die hun schoolwerk met hen maakten. Eens, de eerste winter op school, toen het dik had gesneeuwd, kwam een grote arreslee met bellen voorrijden voor de school, die nam een heleboel jongens mee, allemaal vriendjes van elkaar, ze stonden tot achterop de ijzers. Het was de slee van mijnheer Pelle-grin, de grote houthandelaar, de paarden droegen rode pluimen en de statige koetsier, met zijn brede bonten kraag, hield zijn armen hoog boven de jongens uit en mende. Henri had het een alleraar
142