Damzij was wel een gezellig allegaartje maar toch lelijk, - alleen naar de deftige sigarenwinkel van Hajenius kon hij met plezier kijken om het mooie bruin in de etalage, maar Zeemanshoop was van nare geelwit gesausde kalk. De Grote Club was helemaal niets, men vergat gewoon dat die er was, en liep al lang in de Paleisstraat eer men merkte dat ergens een deftige portier stond.
Maar de Dam was niet alleen de Dam door de gebouwen. De hoofdzaak was het grote plein zelf. Ailes, aan alle kanten, ging erheen of kwam er vandaan. De straten en de bellende trams en de wagens van Van Gend en Loos, de troepen buitenlui die de stad bezichtigden en de wachtsoldaten, die de kleine steentjes voor het Paleis moesten bewaken tegen de voetstappen van de gewone mensen. Het plein was net een groot veld middenin de stad, het was natuurlijk geplaveid met keien maar toch had het iets van een wijd stuk grond met lucht erboven, - iedereen die wilde, kon er lopen zonder dat hij een vaste weg hoefde te nemen, dat was het grote van de Dam.
Achter het paleis lagen de vervelende, te brede straten, waarvan zijn vader had verteld dat ze vroeger mooie grachten waren geweest, nu stonden er alleen nog slecht onderhouden herenhuizen, die magazijnen waren geworden. Daarna kwamen de bruggen over de Herengracht en de Keizersgracht en dan zagen Henri’s ogen alleen nog maar de Westertoren.
De Westertoren was de vriend, die alles goedmaakte wat misschien vervelend was geweest op de weg of in de school. Hij wees veel hoger de lucht in dan de Zuidertoren, die boven de schoolweg naar Meulmans had uitgestoken. Hij wees diep en hoog in de Amsterdamse hemel, soms wees hij hoe grijs die wel was en soms strekte hij een lange reuzenvinger naar een hoge, bolle, witte wolk, die voorbijzeilde tegen een schoongeveegde, klaarblauwe lucht. Hij stond daar uit te steken boven de grachten en de hele Jordaan en niemand kon weten hoe het zou zijn als hij er niet was.
Als Henri met zijn hoofd in zijn nek omhoogkeek, verbeeldde hij zich wel eens voor de aardigheid, dat hij boven in de Keizerskroon zat en mee naar beneden kon kijken op al de straatjes en steegjes en grachtjes. Voor zijn ogen kwamen dan ronde groene boomkruinen, hij wist opeens hoe een vliegende meeuw er vanboven uitziet en hoe de Amsterdamse binnenplaatsjes zijn geplaveid met rode klinkers of vierkante witte marmerplaten. Ook de rommelige daken waaruit roodaarden schoorsteenpijpen steken, had hij wel kunnen tekenen van bovenaf, met de lage glimmende grachten in de diepte daartussen. Maar hij verbeeldde zich liever niet dat hij, net als de Westertoren, door alle ramen naar binnen kon kijken
141