II
Jaar na jaar werd met het vorige tot voorbije tijd. Henri kwam in de tweede klas van de Handelsschool, toen met moeite in de derde. Hij had nu al drie jaar lang twee maal per dag heen- en teruggelopen door de Hoogstraat en de Nieuwe Doelenstraat en de Damstraat, - die hij maar samen de Damstraten noemde - dan over de Dam en door de Paleisstraat en de Raadhuisstraat naar de Keizersgracht. Hij kende alle gebouwen en de winkels met de winkeliers langs de weg en ook de luchten erboven bij sneeuw en zon en regen.
Als hij ’s morgens de stoep afkwam, begonnen zijn ogen al te kijken. De vrachtschuiten in de gracht lagen zwaar op het dikke donkere grachtwater, bovenop hun dek bewogen de schippersmensen, meestal zwaaiden er ook blauwe en roodbaaien hemden aan een lijn. Dan, op de brug, zochten zijn ogen de Waag, iedere dag keerde Henri’s gezicht zich naar die kant. De andere kant was lang niet zo aardig, daar waren wel huizen en bruggen maar ze liepen weg in een verte waar niets anders was te zien dan een nauw stuk lucht. Neen, de Waag was het echte, die stond daar plomp en onwrikbaar midden op de Nieuwmarkt en zijn rode baksteen was zelfs nog opgewekt als het regende. Op de marktdagen, als rondom de witte zeilen waren uitgespannen boven de stalletjes, stond hij daar zo stevig bovenuit, dat men zich kon voorstellen hoe hij vroeger een zwaar poortgebouw was geweest. Henri wist dat wel niet zeker maar het zou best kunnen. Door de Waag had hij wel eens spijt dat hij geen ‘Amsterdamse geschiedenis’ leerde, dat zou een aardig vak zijn, veel aardiger dan de algemene geschiedenis met al de moeilijke Tudors en Hohenstauffen. Nu stelde hij zich die Amsterdamse dingen maar zelf een beetje voor. Het Trippenhuis bevolkte hij met een geslacht van dames en heren, wier deftige gezichten uitkeken boven kanten kragen, en het smalle huisje ertegenover met een werkmansfamilie in roestbruine buizen en jakken. Hij vond het een prachtig verhaal van dat huisje. De timmerman die aan het Trippenhuis werkte, had het zomaar cadeau gekregen van de rijke Trip toen hij hem vertelde, dat zijn vrouw best tevreden zou zijn met een huisje, niet breder dan de deuren van Mijnheer Trip’s grote huis. Men kon nog zien dat het kleine ding was gebouwd van dezelfde steen als het Trippenhuis, de geveltop was ook even rijk en prachtige behouwen, mooier dan een van de
139