ren kende, hem de laatste weken met een zekere medelijdende omzichtigheid had behandeld.
‘Als er iets is, hoor ik het liever van u dan van een wildvreemde professor,’ zei hij. En op hetzelfde ogenblik wist hij al wat het was, dat men hem niet vertellen wilde, - hoe had hij er niet eerder aan gedacht. Zijn handen vielen slap open op zijn knieën. Heer-in-de-hemel, er hoefde niets meer gezegd te worden. Hij wist het. Een vrouw, die meemaakte wat Julie had meegemaakt, bleef steriel, voor altijd, - als er geen wonder gebeurde. Hij had er immers over gelezen. En meteen vielen hem al namen in van vrouwen waarover men hetzelfde fluisterde...
‘Er is heus niets te vertellen,* praatte de quasi-opgewekte stem uit de verte, maar mijnheer Godschalk luisterde niet eens. Hij zag het jonge geliefde gezichtje, dat hij zich al eenmaal had voorgesteld, buigend over een kindje dat dronk aan een blanke borst, hij zag het zoals hij het nu het laatst had gezien tegen het witte kussen, strak en onverschillig. Zou het voorgoed zo moeten blijven? ‘Ja, als u niets zeggen wilt, zal ik het wel aan Treub gaan vragen,’ zei mijnheer Godschalk en stond op. ‘Als er inderdaad iets is, haal ik het eruit, - jullie zijn in staat om iemand gek te maken met jullie voorzichtigheid.’
Dokter Querido inspecteerde nauwlettend mijnheer Godschalks bleek, vastberaden gezicht. ‘Wat denkt u dan wel dat er nog zou kunnen zijn?’ vroeg hij.
Mijnheer Godschalk haalde diep adem. ‘Ik weet, dat mevrouw Scharff na zo’n zelfde geschiedenis nooit meer een kind heeft gehad en de vrouw van Mr. Blok ook niet. En dat de vrouw van de jonge Acohen aan de morfine is geraakt.’
Dokter Querido haalde nogmaals zijn schouders op, maar nu weifelend. ‘Men kan vooruit nooit iets met zekerheid zeggen,’ troostte hij. ‘Maar als u dat allemaal weet, weet u ook wel, dat u nu een beetje geduld zult moeten hebben met uw eigen vrouw.*
‘Ja,’ zei Maurice Godschalk, ‘dat zal wel moeten.’
Langzaam liep hij naar huis, hij voelde hoe zijn voeten zich verplaatsten, stap na stap. Zo liep hij zijn stoep op, de gang door, het privékantoor binnen, naar zijn eigen afgesloten boekenkast. Nog met zijn jas aan en zijn hoed op het hoofd ontsloot hij de deuren, waarachter zijn rood-met-goud gebonden gebedenboeken al lang stonden weggeschoven naar de onderste plank.
Hij bukte zich en greep achter de pompeus versierde delen naar een klein donkerbruin boek, dat aan zijn vader had behoord. Tegenover de titelpagina was in Hebreeuwse letters zijn eigen naam
136