nijd heeft ze het gedaan, ze heeft me in mijn hart willen steken...’
Hij beet zijn tanden opeen.
‘’t Is godgeklaagd, altijd beleef je hetzelfde met deze dingen,’ zei dokter Querido en zijn voorhoofd rimpelde verdrietig onder zijn grauwe kuif. ‘Of men heeft geen bewijzen, of men mag ze niet gebruiken. Enfin - meestal verlangt men het later zelf niet eens. Maar één ding is zeker, ik wil dat walglijke creatuur hier niet meer tegenkomen, - als u haar niet dadelijk de deur uitgooit, sta ik nergens voor in.’
‘Laat u dat maar aan mij over!’ zei mijnheer Godschalk en depte het zweet van zijn neus. ‘U weet niet hoe dankbaar ik u ben dokter...’
‘Nou, dat kan ik me wel voorstellen,’ zei dokter Querido en een wijs glimlachje trok over zijn mond. Hij liep naar de deur en kwam weer terug. ‘Laat me u alleen nog één ding zeggen, mijnheer Godschalk - ik wil wel geloven, dat u geen schuld hieraan hebt, -maar u hebt tóch schuld. Hoe laat men het zover komen? Wist u dan niet dat uw vrouw geen kinderen wilde? Daar is tegenwoordig toch wel iets tegen te doen!’
Het bloed rees gonzend in Maurice Godschalks oren. ‘Ik heb er nooit met haar over gesproken,’ zei hij, ‘als men toch getrouwd is...’
Dokter Querido schudde meewarig het hoofd. ‘Ik heb me niet te bemoeien met uw zaken, - en daarbij - godweet of we er dat arme vrouwtje nog doorhalen, - maar ik zou zeggen - u hebt het verkeerd aangelegd, mijnheer Godschalk. Men kan zoiets toch van tevoren overleggen met een vrouw, ik wist niet dat u zo ouderwets was.’
Maurice Godschalk keek vragend en onthutst omhoog naar de dokter, die vaderlijk afkeurend het hoofd schudde. Als hij de moderne opvattingen van dokter Querido niet reeds jaren had gekend uit de loge der odd-fellows waarvan zij beiden lid waren, had hij zich diep beledigd gevoeld, nu trachtte hij achter een wenkbrauwfrons zijn houding te bewaren.
‘Mijnheer Godschalk,’ zei de dokter en keek vaderlijk onderwijzend omlaag in zijn gezicht, ‘u denkt, dat u een liberaal man bent, een modern mens, nietwaar? - maar ik zie het in mijn praktijk overal, - tegenover de vrouwen gedraagt men zich nog als een van de aartsvaders. Och, ik zal niet zeggen, bij de vromen heeft dat ook nog zin, ik zou iemand niet graag zijn zekerheid ontnemen. Maar u hebt mij zelf wel eens verteld, dat u verlichte opvattingen had, dan weet men toch dat de omgang met iemand als uw vrouw meer tact vereist. De tijden zijn nu eenmaal aan het veranderen.
133