heel erg was met tante Julie en hij had graag willen horen wat de
dokter zei, maar hij bedacht dat hij niet de school kon verzuimen als er niemand was die een briefje voor hem schreef.
Maar terwijl hij zijn tas inpakte, was er plotseling lawaai op de trap en even later stormde zijn vader hem voorbij, de kamer in. Madame Pion vloog op van de tafel en verdween door de tussendeur in de salon. Zijn vader zag hem niet eens, hij rende achter madame Pion aan.
Toen was het of er een onweer losbrak in huis. Henri dook in elkaar, hij had nog nooit, in zijn hele leven niet, ook niet aan de overkant, zo’n vreselijke ruzie gehoord, hij wist niet dat zo iets kon bestaan. De kamers die altijd wellevend en beschaafd om hem heen waren geweest, rolden opeens vol van ruwe, vuile geluiden. Hij hoorde met stoelen smijten en de stem van madame Pion die schel inschreeuwde tegen de woedende blafklanken van zijn vaders stem. Het was vreselijk dat er zo’n dierlijk lawaai kon komen uit de mond van zijn vader, die toch een glad herengezicht had. Het was of het huis bovenop hem instortte, zijn hart bonsde van angst. Hij stopte eerst zijn vingers in zijn oren, toen greep hij zijn tas en vluchtte de trappen af naar school.
‘We zullen ons best doen,’ zei de huisdokter Querido, ‘en daarbij, - het is Treub, nietwaar? meer kan ik er ook niet van zeggen. Maar als ik die oude totebel de kast in kon draaien, zou het me een hele opluchting geven.’
Hij stond uit zijn magere lengte neer te zien op mijnheer Godschalk die twee inerte armen op zijn schrijftafel had gelegd en doodvermoeid voor zich uit zat te staren. Hij had werkelijk te doen met de echtgenoot van zijn patiënte, maar hij was toch niet geheel zeker dat alles buiten de man om was gebeurd en besloot hem nog eens even te peilen..
Hij bleef tegenover mijnheer Godschalk staan terwijl hij voorzichtig zijn glacé handschoenen omlaag wreef over zijn nog vochtige vingers, nadenkend bekeek hij zijn gespreide handen. ‘Wat ik een nacht hier heb gehad! daar hebt u geen hoogte van. Ik dacht dat uw vrouw me zo onder mijn handen zou blijven. En waar houden we nog aan! - Het zou me waarachtig lucht geven, als ik dat brutale varken een krieje kon snijden, - als ik niet onder ambtseed stond, ging ik zo naar de commissaris. En ik zweer u, als het verkeerd afloopt, weet ik nog niet wat ik doe.’
‘Neen,’ zei mijnheer Godschalk en de angst sloeg koud door zijn hart, ‘neen, dat doet u me niet aan, dokter. God weet wat er nog gebeurt, - ik heb zo al genoeg ellende, moeten we nu ook nog in de krant komen? Kan ik het dan helpen? Dat karonje, - puur uit
132