Toen Henri weer terugkwam aan de rommelige ontbijttafel, had hij opeens het gevoel gehad dat hij nu helemaal alleen was in een vreemd huis.
Dat bleef zo de hele dag en ook de volgende. Het huis was vreemd en zelfs werd het vijandig. Madame Pion en tante Julie kwamen niet meer beneden, ze bleven in de slaapkamer en het boudoirtje. Hoe langer hij rondliep door de lege benedenkamers, hoe vreemder en benauwender het daar werd. Niemand keek naar hem om. De dames lieten hun maaltijden boven brengen en alleen voor hem werd een enkel couvert neergezet op de grote ronde eetkamertafel. Hij dacht er nu zelfs niet meer aan dat hij in de keuken zou kunnen eten, zoals vroeger bij Sellie, hij was te groot geworden en de nieuwe keukenmeid noemde hem ‘jongeheer’. Maar terwijl hij daar alleen voor zijn bord en de gekke grote schalen zat, voelde hij angstig, dat er in huis iets bijzonders gebeurde buiten hem om. De ongekende stilte in tante Julie’s kamer waar toch twee mensen waren, benauwde hem. Hij had madame Pion op de gang gevraagd of tante Julie ziek was, maar ze had luchtig haar hoofd geschud. Nu leek alles hem nog veel meer beangstigend onbegrijpelijk.
Tot de avond daarna plotseling een groot lawaai losbrak in het huis. Madame Pion hing aan de telefoon en belde om dokters en een apotheek. De keukenmeid sleepte met teilen heet water langs de trap en met een weeë angst hoorde Henri hoe tante Julie achter de deur van haar kamer gedempt maar klaaglijk jammerde. Toen ratelde in vliegende haast een dokterskoetsje aan en even later werd Doortje weggestuurd met een telegram voor zijn vader.
Henri kroop die avond rillend in zijn bed, hij lag boven tante Julie’s kamer. Maar hij kon niet verdragen om daar te liggen en te luisteren en niets te weten, dus nam hij zijn kussen en kroop in het lege onopgemaakte logeerkamerbed, een verdieping hoger.
Toen hij de volgende ochtend benedenkwam, rook de gang afschuwelijk naar carbol, maar alles was stil geworden. Hij probeerde zijn boterham op te eten, het was maandagmorgen en hij moest weer naar school.
Madame Pion zat al aan de ontbijttafel, ze sopte een broodje in haar koffie en schrokte het haastig naar binnen, het was wel vreemd dat ze al zo vroeg beneden was. Ze zag er raar uit; onder haar ogen waren blauwe wallen, haar wangen hingen nog kwabbiger dan anders en langs haar voorhoofd kleefden slierten haar waar anders de springerige krulletjes zaten. Hij vroeg natuurlijk hoe het met tante Julie was, maar ze gaf geen antwoord, wel hoorde hij haar telefoneren met de dokter dat die nog voor het ochtendspreekuur komen moest. Hij voelde zich raar in zijn buik omdat het waarschijnlijk
131