Henri trok langzaam een punaise uit het bord. Hij was niet gewend dat zijn vader hem commandeerde en ook was hij altijd zelf baas geweest over zijn tekeningen, waarnaar mijnheer Godschalk maar bij uitzondering keek. Maar hij voelde wel, dat hij nu niet kon gaan tegenspreken, de toon van zijn vader was te duidelijk geprikkeld. Wel was het jammer, dat hij deze tekening weg moest geven, hij had zich al voorgesteld die een tijdje op te hangen in zijn kamer, - men kon er prettig naar kijken.
‘Neen, neen,’ zei de pastoor, ‘ik denk er niet aan om dat zomaar mee te nemen, de Moeder Gods zou het mij aanrekenen. Uw zoon moet die tekening zelf bewaren. Ik wilde alleen zeggen dat het schoon werk is voor zo’n jongen. Geluk ermee, hoor!’ en hij schudde Henri langdurig de hand.
Even stond hij in zijn volle lengte boven de jongen en Henri voelde een vreemde aangename warmte die door zijn hand opsteeg in zijn arm. Hij keek omhoog, de vriendelijke ogen van de pastoor zagen hem aan alsof ze nu samen een geheim wisten. Het was alles een beetje wonderlijk, maar toch zo begrijpelijk dat hij er zich van binnen blij om voelde. Op» dit ogenblik hield hij veel van deze pastoor, die hij toch niet kende, maar zijn vader stond er vreemd naast.
Mijnheer Godschalk ging voor naar de deur, de pastoor wuifde nog eens met zijn hand, toen volgde hij. Eerst op de hallmat voelde mijnheer Godschalk dat hij wel wat beleefder had mogen zijn tegen iemand, die hem misschien een voordelige affaire kwam aanbrengen. De hand, die hij al had uitgestrekt naar de koperen deurklink zakte weer omlaag. ‘Hoe is het indertijd toch afgelopen met uw processie?’ vroeg hij voorkomend.
Een weemoedig lachje trok over de mond van de oude man. ‘Ach, dat traineert nog,’ zei hij gelaten, ‘’t Ligt ook niet zozeer aan het wettelijk verbod, men zou daar wel iets op kunnen vinden, maar er zijn in mijn streek zoveel anderen die een attractie zoeken voor hun kerk, - ge wordt dan niet altijd geloofd en toch is het alles zuiver spul, gelijk gij wel weet. Ja, de braven moeten soms met de bozen lijden. - Maar het gaat mij aan het hart om Onzelievevrou-we, - dat men haar niet vertrouwen wil...*
‘Als ik in uw dorp kom, moet u mij het beeldje nog eens laten zien,’ zei mijnheer Godschalk welwillend. ‘Ik zou het laten conserveren als ik u was, - anders is het finaal vermolmd wanneer u nog eens uw processie krijgt.’
‘Neen,’ zei de pastoor en strekte zijn rug, ‘dat is onnodig! Als Onzelievevrouwe wil, blijft het nog eeuwen zoals het is. Ge begrijpt dat zo niet, maar voor Haar is alles mogelijk.’
128