De pastoor schreef omstandig het adres op de blocnote die mijnheer Godschalk hem voorhield. Toen stond hij op uit de weidse zetel, trok zijn soutane recht en zocht met de ogen naar zijn hoed. Henri, die had omgekeken toen hij stoelen hoorde schuiven, herinnerde zich dat de pastoor de hoed naast zich had neergelegd, dus dook hij onder een paar meubels en reikte beleefd het ietwat gedeukte hoofddeksel over.
‘Bedankt,’ zei de pastoor en knipte met duim en wijsvinger een deuk uit de bol. ‘Ja, gij hebt nog vlugge benen, vriend. - En ook handige vingers, zou ik zeggen.’ Hij wees naar het tekenbord. ‘Hebt ge dat heel alleen zo gedaan?’
Henri glimlachte maar gaf geen antwoord, hij kon nooit goed praten over de dingen die hij tekende. De pastoor keek door zijn oogharen beurtelings naar het oude paneel en de krijttekening. ‘Och, ’t is maar kinderwerk,’ excuseerde mijnheer Godschalk haastig, schoof het tekenbord opzij, draaide de Vlaamse madonna naar de muur en sloeg toen iets denkbeeldigs af van zijn handen. ‘Dat paneeltje is verkocht,’ zei hij en stond nu zichtbaar te wachten of de pastoor heen zou gaan. Maar deze bleef geïnteresseerd kijken naar Henri’s tekening.
‘Neen, neen,’ zei hij, ‘dat is geen kinderwerk, er zit liefde in. Hebt ge wel eens wat over Onslievevrouw gehoord, mijn jongen?’
‘Jawel mijnheer,’ zei Henri. ‘In de boeken van Van Lennep natuurlijk. Maar daar dacht ik heus niet aan toen ik aan het tekenen was.’
‘Welneen,9 zei mijnheer Godschalk met een superieur lachje, ‘hij tekent zoiets alleen voor de aardigheid. Hij is Israëlitisch opgevoed, - wat zou zo’n jongen er dan bij kunnen denken?’
‘Het zit hem niet in het denken, meen ik,’ peinsde de pastoor. ‘Zie toch eens, wat leven in die ogen. En hoe licht het alles is gebleven. - Een katholieke jongen zou ’t net zo doen als hij het talent ervoor had.’
‘Nu, dat is dan wel toevallig!’ Al de eeuwenoude joodse afkeer van het religieuze beeld welde omhoog in mijnheer Godschalk; met ge-ergerde ogen bekeek hij het vergeestelijkt vrouwengezichtje. Hoewel hij voor de zaak dagelijks specimina van kerkelijke kunst onder de ogen en in handen kreeg, was ’t hem nu onzegbaar onaangenaam, dat deze madonna door zijn eigen zoon was getekend en stond opgesteld in zijn huis.
‘Als u de tekening aardig vindt, kunt u ze krijgen,’ zei hij.
‘Henri, pak het maar in voor mijnheer.’ Onderwijl bedacht hij: ‘En morgen bel ik Dupont op, dat hij zijn Moeder-Maria meteen moet laten weghalen. Wat ziet het kind eraan!’
127