tegen de beide mensen, het was ook grappig dat er juist een pastoor kwam nu hij die madonna had getekend. Maar zijn vader wenkte dat hij heen zou gaan, mijnheer Godschalk cultiveerde een correcte discretie tegenover zijn cliënten.
‘Mag ik dit hier laten staan ?’ vroeg Henri.
‘Ja, ja,’ zei mijnheer Godschalk. ‘Straks roep ik je wel weer.’
De pastoor had al rondgekeken en Henri gezien, zijn ogen werden heel vriendelijk. ‘Laat die gast maar blijven,’ zei hij, ‘ik heb geen geheimen te verklappen.’ - ‘Zoals u wilt,’ zei mijnheer Godschalk. Henri boog zich weer over zijn tekenbord, maar opeens voelde hij dat hij het krijtje nu te stijf tussen zijn vingers hield, -dat was jammer, - als hij echt prettig werkte, merkte hij niets van het krijt en ging alles vanzelf. Hij legde het weg en nam een ander, voor de achtergrond, want als hij nu eigenwijs aan de kop bleef werken, verknoeide hij de hele boel.
Wat verschaft me de eer?’ vroeg mijnheer Godschalk en keek over zijn lorgnet naar het pak op de knieën van de pastoor.
‘Neen, - dat is niets,’ zei deze, ‘dat is maar mijn nachtgoed. Ik kom ditmaal niet voor mezelf, ’t is voor de kasteelheer. Ik heb hem indertijd over u gesproken en dat ge zo royaal uw advies hebt gegeven zonder iets daarvoor te rekenen. Ja, en nu wil hij wat te gelde maken van zijn inboedel, - en of ge niet eens daarnaar zoudt willen komen zien. Ik moest toch deze zondag bij een zieke in Amsterdam wezen en Ik heb beloofd dat ik de boodschap wel zou doen.’
Mijnheer Godschalk overlegde. Brabant? Dat kon hem een paar dagen kosten, en wie weet waarvoor? De particulieren dachten altijd wonderwat van hun boeltje, maar gewoonlijk was het niet veel zaaks. ‘Hoe is de naam?’ vroeg hij.
‘Schaveneele du Plessy,’ zei de pastoor. Mijnheer Godschalk knikte, er zat iets in. Ergens in het zuiden moest inderdaad een Schaveneele zitten die goede dingen had, hij wist het uit de catalogi. Waarom heeft de baron niet eerst even hierover gecorrespondeerd?’ vroeg hij.
‘De sukkelaar!’ zei de pastoor, ‘hij is immers half verlamd! Het gaat erom dat hij geld moet losmaken voor familie en ’t moet in onze buurt niet ruchtbaar worden, anders verkocht hij van zijn land. Nu, - mag hij u verwachten?’
‘Natuurlijk!’ zei mijnheer Godschalk, ‘het is in mijn branche nietwaar? Ik wil met genoegen komen. Heeft het haast?’
‘Hoe eer het geld er is, hoe liever,’ zei de pastoor. Mijnheer Godschalk knikte. ‘Ik schrijf hem nog wel, geeft u mij maar even het juiste adres.’
126