maar het hinderde hem niet, hij vond het niet eens onaangenaam. Hij wist dat hij anders was geworden. Het liefst zou hij zelf het grote stuk leven tussen zijn jeugd en deze late liefde in zijn herinnering hebben gedood, zodat iedere gebeurtenis en iedere aandoening in dit nieuw bestaan hem even onvoorbereid zou vinden als haar. Hij voelde dat hij haair dan meer gelijk en nader zou zijn geweest.
Maar hij kon zichzelf zijn grotere levenservaring niet meer ontnemen, ze was even werkelijk als zijn grijzend haar, dat hij nu iedere maand moest laten bijverven. Zijn herinneringen konden niet worden overgeschilderd, ze kwamen terug in hun oorspronkelijke vorm en kleur en zijn volwassen intelligentie maakte met zekerheid de combinaties tussen het onontkoombare verleden en het heden.
Juist deze zelfde morgen was een oude herinnering plotseling scherp omgrensd in hem levend geworden. Hij had Julie gezien, zittend op de rand van het grote ledikant, haar ogen ver weg in een onbekend verschiet, haar handen werkeloos saamgevouwen tussen haar knieën en haar rug gebogen onder een onzichtbaar opgelegde last. In een flits zag hij, hoe*, ook zijn eerste vrouw jaren geleden zo had gezeten, - weken later eerst had ze hem verteld dat ze een kind verwachtte. Toen, in zijn onervarenheid, had hij niet geweten wat vreemds hij zag aan de weggedroomde vrouw, maar nu beefde hij van emotie. Zijn armen strekten zich, maar ze was te ver ondergedoken in zichzelf en hij hield zich terug. Later eerst durfde hij vragen waaraan ze zat te denken, en toen ze geen antwoord gaf, had hij haar tenslotte, ondanks zichzelf wat gefroisseerd, uit haar gepeins weggeroepen om hem te helpen aan zijn boord. Toen ze traag opstond, en hij haar ingeperkte lippen en verstrooid geheven wenkbrauwen zag, terwijl haar vingers afwezig handelend zijn boordeknoopje door het knoopsgat drukten, was hij bijna zeker, dat hij zich niet vergiste en dat het de loomheid van het beginnend moederschap was, die haar had bevangen.
Terwijl hij haar handen langs zijn hals bezig voelde, ergerde hij zich onzegbaar aan zijn onmacht om opnieuw geheel en al jong te zijn. Hij had haar in zijn armen willen nemen, willen lachen in haar ogen tot ze hem vertellen zou wat hij horen wilde, maar de vele en lugubere herinneringen aan al wat lang geleden was gebeurd, maakten hem stom. Doch door zijn hart zwol gedurig een vlaag van tederheid en van nederige dankbaarheid omdat ze nu wellicht een kind van hem zou gaan dragen; zijn ogen werden er nat van. Toen ze haar handen terugtrok en zich afwendde om zichzelf te gaan kleden, was hij stil blij ven staan op de plaats waar hij stond en
122