schreven wijze. Maar het was niet meer het hartstochtelijk pleidooi om genade dat hij soms als hij alleen was, had voorgedragen alsof hij, nu nog, bij God moest smeken om erbarming voor Sodom en Gomorrha. Van de verhoging klonk alleen de goed-ingestudeerde dreun van een afgericht kind. De mensen in de bank glimlachten vermaakt en oplettend, zoals men luistert naar een dreumes die een verjaarsversje opzegt. De jongen voelde het en in hem groeide het hopeloos verdriet. Het was alles anders dat men zich wel wilde verbeelden als men alleen was met zichzelf.
God was zeker niet in de synagoge en waar Hij wel was wist niemand.
En Vader Abraham had misschien niet eens bestaan.
Toen maakte hij zijn eerste fout in de voorgeschreven toonhoogte. Hij schrok er toch nog van, zag op en keek benauwd naar meester Cohen. Die trok hetzelfde gezicht dat alle mensen altijd trokken als ze lang naar hem keken, een medelijdend lachje, omdat hij nu eenmaal niet anders kon zijn dan hij was. Toen hij weer naar de tekst keek, merkte hij dat het aanwijshandje was weggegleden. De voorlezer, die achter hem was blijven staan, moest het weer op de juiste plaats brengen.
Hij ging verder. Toen hij zich voor de tweede maal vergiste, was het hopeloos gevoel al zo sterk, dat het niet erger kon. Hij begon opnieuw, vergiste zich een derde keer, werd heel koud en zag toen opeens het gezicht van oom Eli.
Het stond zo angstig en zo pijnlijk, dat Henri had kunnen schreeuwen. Maar zodra oom Eli zag dat hij naar hem keek, werd het anders, alleen nog maar bezorgd en heel, heel hartelijk. Met korte, kleine knikjes beduidde oom Eli dat Henri verder moest gaan. Toen droeg hij de laatste zinnen nog zonder fouten voor. Zonder verdriet en zonder geluk las hij zoals hem was voorgedaan. Het kwam er niet meer op aan. Niemand dacht toch over God en Abraham of over Sodom en Gomorrha. Meester Cohen luisterde of zijn leerling hem eer aandeed en oom Eli was gekomen omdat hij van zijn vriendje hield. Pa was meegegaan omdat het niet anders kon en al de andere mensen kwamen iedere week zo bij elkaar in deze zaal omdat het was voorgeschreven en ze het altijd hadden gedaan. Hij was zelf het gewone barmitswejongetje, dat er bijna iedere sabbat was in de Neie Sjoel, en de hele barmitswe was een beetje kinderachtige vertoning, midden tussen de officiële sabbat-ritus.
Hij was klaar en liep terug naar zijn bank. De geschoolde stem van de gazzan ging dadelijk verder, toen hoorde Henri eerst goed hoe klein en benauwd zijn stem was geweest. De dienst had voortgang.
116