naar het Almemmor.
De jongen stond op uit zijn bank en meteen voelde hij, dat de schrik van daarstraks nog in zijn benen zat. Het was stellig de schrik, want hij wist nog altijd dat hij zijn parsje kende en dus niet bang behoefde zijn. Maar zijn benen deden toch heel raar. Met knikkende knieën die telkens doorzakten, klom hij de treden van de verhoging op.
Terwijl hij naast de voorlezer wachtte tot het zijn beurt zou zijn, keek hij uit in de ruimte. Hij was helemaal leeg van binnen. Hij had ook volkomen vergeten dat hij nog gisteravond in bed met de stem van Abraham-zelf had gesmeekt om het behoud van rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Toen, daar in bed, had hij zelfs even gehoopt dat God hem horen zou en misschien in deze tijd ook nog wel een paar misdadigers zou willen vergeven als hij er dringend genoeg om vroeg, - er waren toch altijd nog rechtvaardigen en onrechtvaardigen in de wereld. Maar hier, midden in sjoel, dacht hij daar niet meer aan. Hij stond maar uit te kijken en er was niets meer.
Hij slikte even, er zaten tranen in zijn keel, maar niet omdat hij bang was. Hij voelde zich alleen zo grondeloos verlaten, dat hij wel net zo goed dood en weg kon zijn. Om hem heen stonden de rabbijnen in hun wijde toga’s een beetje onverschillig te wachten tot hij begon. Natuurlijk, - er waren iedere week barmitswejongens, het was heel niet gewichtig. Het hoorde alles eenmaal zo. De sjoel en de banken en de mensen, - dat hadden ze allemaal al zo vaak gezien. Even keek een rabijn zijn kant uit, aan diens ogen was te zien dat hij niet zocht naar Henri Godschalk maar naar de bar-mitswejongen, die als altijd aanwezig bleek in een nieuw zwart pakje.
Het witte licht uit de bovenramen kwam onverschillig neer op de hoofden, die nu zeker wel allemaal van binnen bezig waren met het een of ander, maar niemand kon weten waarmee. Onderwijl las de voorlezer ijverig verder, Henri hoorde zijn eigen beurt dichterbij komen.
Toen gaf men hem het zilveren aanwijshandje en de voorlezer ging opzij om plaats te maken aan de lezenaar.
Alleenstaand, midden in de wijde ruimte, zag Henri nog juist vlak vooraan in de eerste bank zijn onderwijzer, meester Cohen. Die stond daar met een ernstig gezicht en een frons tussen zijn wenkbrauwen, een en al oor om te horen of hij met deze leerling eer zou inleggen. Toen begon de jongen te lajenen.
Zijn kleine stem, zo heel anders dan die van de gazzan, kwam trillend terug van de verre wanden, ze daalde en rees op de voorge
115