Zijn breed gezicht was blauwrood geworden, nu schreeuwde hij in het jiddisj: ‘und hol dir erst de kesoewe.’ Mijnheer Godschalk hief zijn vuist op.
Maar nu was een keurige koster naderbij gekomen en greep de geheven arm. ‘Schande, schande! Mijnheer Godschalk, u gaat dadelijk of we roepen een ander op! Hierlangs alstublieft.’ Hij wees naar de andere zijde, de mensen drukten zich achteruit om hem te laten passeren.
Henri duwde zich weg tegen de leuning van de bank. Een grote ellende was koud over hem heengezonken. De mensen hadden alles bedorven, zijn ene barmitswedag bedorven. Hij voelde zich van binnen helemaal leeglopen, er bleef alleen nog maar verdriet. Hij kon niet eens boos zijn, ook niet op slager Apfelbaum, die eigenlijk gelijk had, hoewel hij in de synagoge niet zo’n opschudding had mogen maken, de schuld lag eigenlijk bij zijn vader en zelfs die kon natuurlijk niet anders doen dan hij deed. Het lag eraan, dat niemand echt geloofde, dat God Zelf neerzag op de dienst, dat Hij werkelijk ‘de ogen op de rechtvaardigen hield gericht’, zoals men volgens de heilige boeken moest geloven. Slager Apfelbaum had er geen moment aan gedacht, hoewel die toch een ijverige vrome was. En dat zijn vader helemaal niet hechtte aan de Leer, kon Henri vandaag nog duidelijker zien dan anders.
Mijnheer Godschalk had de deuren van de Arke geopend, de grote Wetsrollen in hun fluwelen, goudbestikte omhangsels werden zichtbaar. Maar Henri zag, dat het gezicht van zijn vader nog spande van woede, zijn lippen waren smal en bleek opeengeklemd. Wel volvoerde hij de rituele handeling van het loswikkelen der thora tot in de puntjes, keurig en precies, maar men kon zien dat zijn handen beefden en dat hij juist heel afgemeten te werk ging om zijn houding te bewaren tegenover de kijkende mensen.
Voor het eerst wist Henri helemaal voorgoed, dat zijn vader eigenlijk niets gaf om de thora. Als hij werkelijk geloofde in God en in de Leer, dan had al zijn drift moeten bedaren, toen hij de rol in zijn armen nam. Als oom Eli wel eens dezelfde mitswe had, kon men blij worden doordat men naar zijn handen keek, die zo vóorzichtig en eerbiedig het heilige werk deden, zijn vaders handen deden het alleen precies zoals het hoorde, net zoals ze thuis precies zoals het hoorde een peer schilden of een enveloppe opensneden. De jongen hield even zijn ogen dicht, hij kon niet langer kijken.
Nu had de voorlezer de wetsrol uitgelegd en begon voor te dragen, links en rechts geflankeerd door degenen wie de eer te beurt was gevallen op het podium aanwezig te zijn. Toen keek de koster uit naar Henri, het werd langzamerhand tijd voor hem om op te gaan
114